Banken – Oorlogen: de petrodollar

Het bankensysteem en oorlogen:

De snelle wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog heeft flink bijgedragen aan dit succes. Door middel van nieuwe bestedingen kon de Amerikaanse overheid steeds maar nieuwe dollars bij printen zonder dat de waarde ervan daalde. Elke nieuwe geprinte dollar werd immers ingezet voor de reële economie (opbouw, nieuwe auto’s, infrastructuur etc.). John. F. Kennedy bedacht een wet om het vertrouwen in de dollar te handhaven en de het geldsysteem minder afhankelijk te maken van de FED. Een geldsysteem dat buiten de FED om zilveren dollars kon printen. Vijf maanden (juni, 1963) voor de moord op Kennedy tekende hij de 11110 order (executive order).

Het gaf het ministerie van financiën de mogelijkheid om zelf geld uit te geven (zilver certificaten). Door een onderliggende waarde in zilver kon het volk zijn geld weer terug krijgen. Daarvoor lag de geldhoeveelheid in handen van de FED met goud als onderwaarde. Alleen kon de binnenlandse bevolking geen transacties in goud doen. Kennedy opende als het ware een aanval op de FED en het toenmalige geldsysteem gebaseerd op goud in handen van een kleine groep elitaire bankiers (FED). Vijf maanden na de order werd Kennedy vermoord. Na de moord kon de FED weer een monopolie positie heroveren en rente effenen op het volk.

Obama is tot nu toe (2015) nog steeds verplicht om zaken via de FED te doen met een oplopende overheidsschuld van bijna 20.000 miljard dollar (20 biljoen) en een jaarlijks  enorm hoog  te betalen rentebedrag. De totale schuld per inwoner van Amerika bedraagt 62.759 dollar. Met een systeem van uitgifte van zilveren dollars (certificaten) zou de overheid beter haar schulden kunnen aflossen (want er stond een reële waarde tegenover). Daarnaast hoeft de overheid en dus het volk geen rente te betalen aan de FED. Ook kan de geldhoeveelheid gelijktijdig groeien met de economische groei en dalen bij reële economisch krimp. De gehele geldhoeveelheid is gedekt met een zilveren waarde in tegenstelling tot de FED waarbij geld als maar bij geprint werd en in waarde daalde ten opzichte van de gouden reserves.

Na de moord op Kennedy heeft geen enkele president de executive order meer herroepen en behield de FED het alleenrecht op geldcreatie. De zilveren certificaten werden na verloop van tijd uit de roulatie genomen.

Op dit moment wordt het Amerikaanse volk onnodig hoog belast door de toenemende schulden en het forse bedrag over de schuld aan de FED. Dat bedrag kan alleen betaald worden door economische groei. Het verklaart wellicht waarom Amerika een enorm kapitalistisch land is waar economische groei de heilige graal is, maar waar de reële koopkracht enorm gedaald is.

Het is een land dat enorm onder druk gezet wordt door schuld en rente op basis van het alleenrecht op geldcreatie van de FED. Het Amerikaanse volk financiert vooral de consumptie op basis van kredieten. Hierdoor lopen de bijna oneindige schulden alleen maar op. De moord op Kennedy kon een afschrikwekkend effect hebben op toekomstige presidenten. Dit kan een reden zijn waarom de 11110 order niet meer herroepen is. De macht van de FED is te groot. Kennedy is niet de eerste president die vermoord is na het aanpassen van de wet op geldcreatie en de aantasting van de monopoliepositie op de FED en geldwisselaars. Het systeem van geldcreatie zorgt voor het aanjagen van de economie en het aanjagen van schulden die door de reele economie (maatschappij) terugbetaald moeten worden. Rente en schuld maakt van mensen schuldslaven van de financiële economie.

Op dit moment is er wereldwijd een vergelijkbaar systeem als de FED (ECB, Bank of Japan etc.). Wereldwijd zijn de schulden enorm opgelopen ten bate van de centrale banken.

In de periode van Kennedy was het vertrouwen in de dollar nog groot. Tot dat in 1969 de Amerikaanse regering besloot vele dollars bij te printen voor de Vietnamoorlog en de vele naoorlogse leningen. Het toenemende overschot op de Amerikaanse betalingsbalans zorgde voor een instabiele dollar. Het aantal dollars in omloop overschreed het goud dat werd vertegenwoordigd door die dollars (fractional-reserve banking). In de jaren ’60 kon men in London al 40 dollar wisselen voor een ounce goud terwijl de vaste prijs voor een ounce in Amerika 35 dollar was. Internationaal werd de dollar dus al overgewaardeerd (het Triffindilemma). Buiten de VS was in de jaren ’70 40 miljard dollar in omloop terwijl de waarde van de Amerikaanse goudhoeveelheid 10 miljard dollar bedroeg.

In 1971 maakte president Nixon een einde aan het Bretton Woods systeem. Door het grote aantal dollars in omloop steeg de inflatie sterk en nam de betalingstekorten door de oorlog in Vietnam toe. De concurrentiepositie (duurdere dollar) op de internationale markten was sterk aangetast. Het einde van het Bretton Woods systeem betekende ook het einde aan de goudconvertibiliteit van de dollar (inwisselen van de dollar voor goud).

Momenteel wordt goud nog wel bij de meeste centrale banken opgeslagen als liquide reserve voor munten, compensatie voor de zwakke dollar en maakt voor het grootste deel uit van de financiële activa van centrale banken naast vreemde valuta en staatsobligaties. Na het verlaten van de gouden standaard is de maatschappelijke geldhoeveelheid door het bijdrukken van het aantal dollars enorm toegenomen in aantal. In 1971 was de goudvoorraad in de Verenigde Staten nog maar 2% van het uitstaande geld (waarbij de eurodollars en andere buitenlandse claims nog niet meegerekend zijn). Er heeft dus een enorme geldschepping plaats gevonden wat leidt tot een forse inflatie van de dollar. De inflatie wordt bestreden door zoveel mogelijk investeringen (leningen, ontwikkelingshulp) via de dollar te doen in het buitenland. Hierdoor neemt de vraag naar de dollar toe en stijgt de waarde van de dollar. Om de waarde van de dollar stabiel te houden na geldcreatie wat zorgt voor inflatie is het belangrijk dat de vraag naar de dollar hoog blijft. Na de Tweede Wereldoorlog wordt de prijs van olie vooral uitgedrukt in dollars en verrekend met dollars. Het wordt ook wel het systeem van de petrodollar genoemd. In 1973 kwam de waarde van de dollar in gevaar door de olieboycot van de OPEC. Oliehandel, oorlog en het banksysteem zijn vaak aan elkaar gerelateerd.

De westerse economie heeft baat bij een stabiele dollarkoers, waardoor het afhankelijk wordt van de verkoop van petrodollars. Om de stabiliteit te garanderen is de Verenigde Staten afhankelijk van olie opbrengsten waardoor de vraag naar de dollar toeneemt. De prijs van de dollar stijgt hierdoor waardoor er weer meer geld geschapen kan worden, waardoor de prijs van de dollar stabiliseert.

Voor een stabiele dollar is de Verenigde Staten dus enorm afhankelijk van olie. Dit maakt de VS meteen ook kwetsbaar en verslaafd aan olie. De reden dat de VS een globale wereldpolitie rol vervuld heeft te maken met de positie van de petrodollar. De Verenigde Staten is met name actief in het Midden-Oosten omdat daar op Rusland na de grootste oliereserves zitten. De VS is ongewild dus erg afhankelijk van het Midden-Oosten.

Het verklaart ook grotendeels de oorlogen in het Midden-Oosten. Met name de vijandigheden t.o.v. Iran. Waarbij Iran een eigen bankensysteem hanteert onafhankelijk van de dollar. In 2000 maakte Saddam Hoessein bekend dat de olietransacties van Irak in Euro’s gingen plaatsvinden. Dit is slecht nieuws voor de stabiliteit van de dollar. Het gaf de VS een extra impuls om Saddam Hoessein af te zetten en overtrok de inval door in te zetten op massavernietigingswapens. In 2003 viel de VS en Groot-Brittannië Iraq binnen en maakte snel een einde aan de Euro-olie. De petrodollar werd weer ingevoerd en er werden vele oliecontracten afgesloten met voornamelijk Amerikaanse oliemaatschappijen. Amerika heeft vele false flags en preemptive wars nodig om de Amerikaanse hegemonie te handhaven.

http://www.iamthewitness.com/books/Andrew.Carrington.Hitchcock/The.History.of.the.Money.Changers.htm

De vraag is of dit bankensysteem gebaseerd op oneindige schuld door fictieve geldcreatie en oneindige economische groei houdbaar is in een reële economie met eindige grondstoffen. Is dit systeem nu echt houdbaar voor onze opkomende generaties?