de jaren ’90 economische groei, vrijheid en privatisering

De jaren ‘90

De jaren ’90 beginnen met het einde aan de koude oorlog tussen de Sovjet-Unie en de westerse landen. Het boek van Francis Fukuyama: het einde van de geschiedenis en de laatste mens stelt zelfs dat de liberale vredesdemocratie als enige winnaar is overgebleven. Ook werden de kernproeven beëindigd met het kernstopverdrag.

In Den Haag wordt het internationaal strafhof geïnstalleerd na de gruweldaden in Rwanda en Joegoslavië (uiteenvallen socialistische federale staat Joegoslavië in Slovenië, Kroatië en Macedonië, Montenegro, Servië, Bosnië en Herzegovina in 1991). Misdadigers van de mensenrechten moesten zich nu verantwoorden voor een internationaal tribunaal van de Verenigde Naties.

Boris Jeltsin voert een democratische grondwet in met persvrijheid, maar de Russische federatie is volledig ontwricht en alleen de grote oligarchen verrijken zich schaamteloos aan de uit elkaar vallende maatschappij. De roebelcrisis veroorzaakt een wereldwijde daling van de beurskoersen. De Russische democratie wordt voortdurend bedreigd door extreem nationalisten en de invloedrijke communistische partij. De Russische staat wordt daarnaast bedreigd door separatisten en volken die onafhankelijk willen worden.

In Duitsland staat de hereniging van de BDR en de DDR centraal. Door de hereniging loopt de Duitse economie vast vanwege de zeer verouderde Oost Duitse staatseconomie. Helmut Kohl verliest de verkiezingen en wordt opgevolgd door Gerhard Schroder die een rood-groene coalitie leidt.

In Italië richt Berlusconi de centrumrechtse Forza Italia op. Ook wordt de separatistische Lega Nord leven ingeblazen.

In Europa schuiven de sociaaldemocraten naar het midden. In Nederland werkt de PvdA samen met de VVD in een paars kabinet onder leiding van het kabinet Kok I en II.

In Zuid-Afrika werd met de vrijlating van Nelson Mandela en het presidentschap vanuit het ANC de apartheid afgeschaft waardoor er juridisch niet meer gediscrimineerd kon worden op ras en huidskleur. In Afrika ontstaat een democratiseringsgolf doordat landen minder makkelijk tegen elkaar uitgespeeld worden door het einde van de koude oorlog. Wel verschijnen er uitermate gruwelijke burgeroorlog tussen de regeringen (vaak gesteund door de westerse elite) en islamitische bewegingen en verschillende stammen oorlogen.

In het Midden Oosten worden de jaren ’90 gekenmerkt door de Golfoorlog waarbij Irak (Saddam Hoessein) in 1990 Koeweit binnenvalt. De coalitie van 34 landen onder leiding van de Verenigde Staten (George Bush sr.) bombardeerde (Operation desert storm) als reactie daarop Bagdad en viel met grondtroepen Irak binnen. Het Irakeze leger werd binnen 7 weken verslagen door de bombardementen, te zwakke Iraakse grondtroepen en de interne rebellie. Koeweit werd bevrijd en Irak bleef zwaar verzwakt achter. Wel bleef Saddam Hoessein zitten. De Amerikanen waren te bang voor anarchie en chaos in Irak door Saddam Hoessein af te zetten.

Hierdoor kon Saddam Hoessein (Soenniet, Baath partij) de rebellen (Koerden en Sjiieten) onderdrukken. In 2003 vielen de Amerikanen en de coalitie of the willing onder leiding van Bush jr. Irak nogmaals aan, omdat Irak vermeende massavernietigingswapens had, het olie voor voedsel programma misbruikte en moslim terroristen toeliet. Het doel was het verdrijven van het regime in Irak. Saddam Hoessein werd dit keer wel opgepakt en opgehangen. Naast het verdrijven van Saddam Hoessein stond nation-building centraal. Deze fase werd echter belemmerd door grootschalige opstanden en ware burgeroorlogen tussen verschillende religieuze groeperingen, aanhangers van de Baath Partij en terroristen die vooral gelieerd waren aan Al-Qaida. In 2011 trokken de Amerikanen de troepen officieel terug uit Irak.

In 1993 worden de Oslo-akkoorden opgesteld onder aanwezigheid van Bill Clinton. Waarbij de eerste voorwaarden voor een oplossing voor het Israël-Palestijnse conflict worden opgesteld waaronder Palestijnse zelfbestuur en de terugtrekking van het Israëlisch leger uit de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever. Met de oprichting van de joodse staat Israël in 1948 na de Tweede Wereldoorlog en de verovering van de Palestijnse gebieden (onafhankelijkheidsoorlog) ontstonden er veel conflicten tussen Israël en de omliggende staten in het Midden-Oosten.

De claim van het Joodse volk (zionisten) op het heilige ‘beloofde’ land (Hebreeuwse Bijbel, Thora) zette aan tot vele oorlogen tussen Israël, Palestijnen, Syrië, Egypte en Jordanië, maar ontwrichte eigenlijk het hele gebied in het Midden-Oosten waarbij westerse oliebelangen, de schuldvraag van de Jodenvervolging en de Britse toekenning van het mandaatgebied Palestina aan de Joden een grote rol spelen (Balfour verklaring). Israël wordt veelvuldig gesteund door de westerse landen, met name door de Verenigde Staten. De Palestijnse inwoners (Palestina), Syrië, Egypte en Jordanië worden gesteund door de Arabische landen (Arabische Liga).

In 1964 wordt de Palestina Liberation Organization opgericht (PLO) onder leiding van Yasser Arafat, met als doel het bevrijden van de Palestijnse Staat. Het conflict heeft een lange voorgeschiedenis van strijd op religieuze gronden tussen moslims aan de ene kant en joden en christenen aan de andere kant.

Daarnaast moet de rol van oliebelangen (OPEC) en de westerse landen niet onderschat worden. Grote delen van het Midden Oosten kwamen na de eerste wereldoorlog (Sykes-Picotverdrag)  in handen van de Fransen (Noord-Syrië en Libanon, Beiroet, Damascus en Aleppo) de Britten (kop van de Perzische Golf, Basra) en internationaal bestuur (Palestina). In 1917 veroverden de Britten Jeruzalem in Palestina gesteund door de Zionisten (o.a. Lord Rothschild, joodse bankier). De Arabische nationalisten verzetten zich vol tegen de Franse en Britse overheersing van Syrië, Jordanië, Palestina, Libanon en Irak (Mosul, Bagdad en Basra). Israël werd gezien als de grootste vijand met een zeer dominante westerse enclave in Arabisch gebied.

Het leidt tot structureel verzet van islamitisch-arabische groeperingen tegen het westen. Hamas (vuur, fanatisme) is een Palestijnse islamitische politieke organisatie en een afscheiding van de Egyptische moslimbroederschap die zich fel keert tegen de Israëlische staat.

Hamas wordt door het westen gezien als een terroristische organisatie, maar wordt gesteund door de islamitische omringende landen. In Libanon werd Hezbollah (partij van God) opgericht. Hezbollah is een militante politieke partij die anti-Israel en anti-Amerikaanse sentimenten heeft en bestaat uit sjiitische moslims. Fatah (overwinning) is een Palestijnse politieke beweging met een ‘terroristische tak’ (martelbrigades) en is ontstaan uit een guerrilla beweging. Fatah is in tegenstelling tot Hamas een meer gematigde socialistische beweging. Fatah streeft naar geweldloze onderhandelingen met Israel. Fatah is bereid om Israel te erkennen in ruil voor de Gazastrook, de Westelijke Jordaanoever en een compensatieregeling voor Palestijnse vluchtelingen.

In Irak werd in 2003 de Islamitische Staat (ISIS, nu IS) opgericht. Een aan Al-Qaida gerelateerde jihadistische organisatie bestaande uit soennitische Irakezen met een zelfbenoemde islamitische staat (Kalifaat).

Egypte is het eerste land dat de staat Israël in 1979 erkent. Ook bemiddelt de VS tussen de verschillende landen (Camp David akkoorden, Jimmy Carter). Tot op heden worden de Oslo akkoorden aan beide kanten geschonden. Israël blijft nederzettingen bouwen en militair ingrijpen in de Palestijnse gebieden (Gazastrook en Westelijke Jordaanoever) en de Palestijnen blijven bommen gooien en zelfmoordaanslagen plegen op burgerdoelen in Israël. In 2014 breekt de pleuris uit en wordt het strijdgebied van de fundamenteel islamitische milities uitgebreid van Syrië naar Irak. Met niet alleen terreur acties en moorden op westelijke doelen, maar ook andere moslims, andere gelovigen of etnische minderheden onder het mom van de oprichting van 1 islamitische Staat met de invoering van de Sharia (islamitische wetgeving, wet van God).

Momenteel leven we in een clash of civilizations tussen fundamentele moslims in vaak bezette gebieden (Palestina als kerngebied van het conflict) en de westerse wereld. Joris Luyendijk beschrijft goed hoe de media en journalistiek hierin een grote rol heeft. Moslims die elkaar vermoorden heeft bijvoorbeeld nauwelijks nieuws waarde, joden die moslims vermoorden of moslims die joden vermoorden of aanslagen plegen op westerse doelen staan volop in het nieuws. We leven niet alleen meer in tijden waar het slechts gaat om een fysieke oorlog, maar ook in een periode waarin de media een grote rol speelt: de media oorlog. Daarnaast leven we in een proxy oorlog. Het fysieke strijdtoneel wordt gespeeld door kleine spelers gesteund door de grote machten achter deze kleine spelers (Hamas wordt gefinancierd door Iran en de Arabische Liga, Israël door de VS en de AIPAC en grote joodse bankiers, de pro-Russische separatisten worden gesteund door Poetin).

De Amerikaanse regering (Clinton, democraten) loopt na 2 jaar vast op een Republikeinse meerderheid in het Congres. Wel groeide tijdens het beleid van Clinton de welvaart, steeg de economische groei, werd de begroting op orde gebracht en daalde de werkloosheid. In zijn tweede termijn stond Clinton vooral bekend vanwege de vermeende seksuele relatie met Monica Lewinsky.

Wereldwijd verovert microsoft (Bill Gates) met zijn besturingsprogramma windows (3.0, 3.1 en 95) een monopoliepositie op de Personal Computer. In de meeste westerse huishoudens kon men nu over een toegankelijke computer beschikken waarop men kon tekstverwerken (word), internetten op het world wide web (internet explorer) en gamen. Voor veel mensen werden afstanden overbrugbaar doordat mensen, bedrijven en organisaties wereldwijd direct contact met elkaar hadden (globalisering).

In de jaren ’90 steeg de economische groei door nieuwe mogelijkheden van internet (informatietechnologie), maar ook door het open gaan van nieuwe markten in Oost-Europa na de val van het communisme.

De westerse bedrijven profiteerden van de lage lonen en de nieuwe kapitalistische markten in Oost-Europa (nieuwe afzetgebieden). Uitbreiding van de handelsrelaties en het open gooien van nieuwe markten was ook de reden tot uitbreiding van de Europese Unie (interne Europese markt) en de toetreding van nieuwe lidstaten. Naast de ketenverplaatsing naar Oost Europa vertrekken ook veel bedrijven naar het snel ontwikkelde Azië met de toen nog zeer lage lonen en sterk groeiende markten. Niet alleen de economie in Nederland steeg in de jaren ’90 steeds harder (hoogconjunctuur), wereldwijd overtrof de economische groei alle verwachtingen. Ook duurde de economische groei langer dan men verwachte op basis van economische conjunctuurgolven (stijgingen en dalingen). Economen vermoedden zelfs een langlopende nieuw economisch tijdperk van alleen maar economische groei: ‘de nieuwe economie’.

het poldermodel

Begin van de jaren ’90 was de werkloosheid nog erg hoog waardoor er meer afgestapt werd van de stroperige overlegeconomie en meer gestuurd werd op een poldereconomie/poldermodel. De stroperigheid zorgde voor lange besluitvorming en zorgde voor een rem op de sociaal-economische ontwikkelingen en lange slappe compromissen tussen werkgevers en werknemers (VNO, FNV, SER). Daarnaast kwam de overlegeconomie onder druk te staan door het slecht functioneren van arbeidsbureaus, het algemeen bindend verklaren van cao’s en de representativiteit van vakbonden. De corporatistische overlegeconomie moest op de schop en het primaat van de democratisch verkozen politici moesten een groter mandaat krijgen. De invloed van de liberalen werd groter door de inbreng van de VVD en D66 in het eerste kabinet Kok. Het kabinet verkleinde het begrotingstekort en verlichte de lasten (zalmnorm), er kwam meer ruimte voor deregulering, geen verplichte advisering van de Sociaal Economische Raad (SER), verbod op kartels en het aantal adviesraden werd beperkt. De economie groeide onder meer door de combinatie van lastenverlichting en loonmatiging en de rol van flexibele arbeid (Flexakkoord). Kritiek op het poldermodel is dat het eigenlijk net zo stroperig is als het oudere overlegmodel en dat veel prominente vertegenwoordigers veel voor de eigen parochie preken en de echte problemen niet oplossen.

Door een groeiende economie, het stijgende aantal tweeverdieners werden woningen steeds meer waard. Met deze stijgende overwaarde stegen niet alleen de investeringen in de woningen maar konden bewoners van koopwoningen ook hogere hypotheken krijgen en meer consumptieve bestedingen doen. Door deze bestedingsimpuls steeg het Bruto Binnenland Product hard in de jaren ’90 en had men het gevoel dat de economie alleen nog maar beter zou worden.

Achteraf bleek dit samen met de internet luchtbel een huizenmarkt zeepbel geweest te zijn die grote invloed heeft gehad op de economische crisis van 2001, maar vooral in 2008 tot uiting kwam vanuit de Verenigde Staten. In Nederland stegen de prijzen van woningen nog extra door aanbod schaarste en een tekort aan woningen en vrij gegeven bouwgronden, waardoor er niet voor een toenemende vraag woningen bijgebouwd konden worden.

Door de stijgende inkomens (vaak tweeverdieners) konden bewoners van koopwoningen bijna onbeperkt krediet lenen bij banken, waardoor de financiële economie heel erg hard groeide, maar de reële economie (toename woningen) stagneerde. De nieuwe financiële producten versterkten dit effect nog extra. In de jaren ’90 was het gebruikelijk om meer dan 100% van de aanschafwaarde te financieren met geleend geld (hypotheken en financiële producten/kredieten). Hierdoor steeg de lucratieve financieel dienstverlenende sector enorm en ontstond ook de bonuscultuur.

Voor elk afgesloten financieel product stond een vergoeding. Voor de verkoper van financiële producten loont het om zoveel mogelijk kredieten en hypotheken te verstrekken. Deze bonuscultuur ontstond doordat er weinig toezicht was op de financiële markten. Het maakte niet zoveel uit of iemand een schuld had. Met stijgende lonen en overwaarde kon men deze schulden op termijn toch wel terug betalen. Dacht men. De controle of dat ook echt zo was ontbrak.

Wat dat betreft heerste het gedachtegoed ‘geen gezeik allemaal rijk wel’ van de tegenpartij van Jacobse en Van Es (Kees van Kooten en Wim de Bie). Niet zeuren zolang het goed gaat en vooral niet vooruit kijken en kijken naar de consequenties van het beleid. De huizenmarkt bubbel is een van de uitlopers van de toenemende deregulering, zo weinig mogelijk overheidsinmenging en een steeds sterkere focus op de vrije markt in de jaren ’90. In Amerika zou je zelfs kunnen spreken van marktfundamentalisme. Een heilig geloof in het succes van de markt. Ook de linkerkant van de politiek: Tony Blair, Wim Kok en Bill Clinton namen het principe van meer liberalisering, privatisering en deregulering over in hun beleid. Ze lieten steeds meer marktmechanisme toe binnen de sociaaldemocratie.

Klimaat, economie en samenleving in de jaren ’90: van klimaat gidsland naar economisch distributieland: de evaluatie van de eerste klimaatgolf.

In 1990 verschijnt het eerste IPCC rapport (Intergovernmental Panel on Climate Change) van de Verenigde Naties over de mogelijke effecten van broeikassen op het klimaat. Het Panel toetst vooral onderzoek van experts over de hele wereld. Vanaf 1990 tot nu (2014) heeft het IPCC 5 rapporten uitgebracht waarbij de menselijke factor een steeds meer nadrukkelijke invloed heeft op het klimaat door de uitstoot van broeikassen vanuit de industrie, landbouw, huishoudens en het verkeer. Het rapport beveelt aan om broeikasgassen sterk in te perken om de temperatuurstijging in de lopende eeuw niet boven de 2 graden uit te laten stijgen, waardoor het broeikaseffect onomkeerbaar kan worden.

In 1991 waarschuwt de nota klimaatverandering dat al in 2025 de concentratie van CO2 in de atmosfeer op een niveau kan komen dat in 160.000 jaar niet is voorgekomen. Deze nota doet aanbevelingen om de CO2 uitstoot te beperken door inkrimping van de aluminiumindustrie, beperking autoverkeer, einde maken aan het wegwerpplastic en reclamedrukwerk en er moet meer gebruik gemaakt worden van duurzame energie, zonneboilers en aardwarmte. In het milieubeleid worden doelstellingen opgenomen om de CO2 uitstoot met 2% per jaar in te perken vanaf 1990. In de jaren ‘90 zijn de maatregelen voor deze doelstellingen vooral gebaseerd op energiebesparing en bosaanplant.

Ook werden er reductiedoelstellingen opgenomen voor methaan en CFK’s. Alleen voor energiebelasting kreeg men geen politiek draagvlak. Terwijl je met energiebelasting een grote stap kunt zetten om energie te besparen (een hoge prijs leidt tot minder of alternatief gebruik van energie).

Over een energiebelasting/heffing moet je internationale afspraken maken vanwege het free-riders effect. Als 1 land niet mee doet ondervinden de overige landen daar negatieve gevolgen van. In Europa haken Groot Brittannië en de zuidelijke staten af waardoor men het niet eens kan worden over een Europese energiebelasting. In Nederland werken de werkgeversbonden VNO en CNW en het bedrijfsleven (Akzo, DSM, Hoechst, Hoogovens, KPN en Shell) structureel tegen. Nederland verloor zijn positie als gidsland (eind jaren 80, begin jaren 90) voor het Europese klimaatbeleid door het bedrijfsleven (dreigen met vertrek naar het buitenland). De CO2 reductie doelstellingen hebben verder te lijden onder een zeer lage olieprijs. Een energieheffing voor kleinverbruikers komt er wel. Grote en middelgrote bedrijven werden hiervan vrijgesteld. De industrie werd ontzien terwijl de industrie juist de grootste gebruiker en vervuiler was.

In Paars-II kwam in 1996 de Regulering Energiebelasting op het gebruik van aardgas en elektriciteit opgevolgd door de Ministeriële regeling Milieukwaliteit Energieproductie (MEP) in 2004. Ook bij deze regelingen betalen de grootverbruikers fors minder energiebelasting. De regeling is een vorm van subsidie op fossiele brandstoffen, omdat de grootverbruikers massaal gebruik van goedkope kolen maken en daarover dus veel minder belasting betalen. In 2008 werd deze regeling opgevolgd door de SDE(+) regeling (Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie).

De maatregelen om klimaatverandering te beperken worden verder tenietgedaan door de uitbreidingsplannen van de Rotterdamse haven en Schiphol en boeren die hun groeiambities kunnen waar maken. Ook een remmende economische groei verzwakt de economische minister van VROM om voldoende draagvlak te krijgen voor het klimaatbeleid. De angst voor economische neergang en economische schade door een ver doorgevoerd klimaatbeleid is groot. Nederland is een distributieland en de agrarische economische sector is zeer groot. Verkeer, handel en landbouw kunnen Nederland er economisch juist bovenop helpen. Het optimisme over het klimaatbeleid is verdwenen en koopkracht en economische ontwikkelingen domineren het beleid. Sterke charismatische koplopers in het milieubeleid zijn verdwenen en hebben plaats gemaakt voor een sterk economisch beleid met meer afval, meer auto’s, grotere havens en meer startbanen. Van jaarlijkse CO2-reductie komt weinig terecht. De CO2-uitstoot stijgt per jaar zelfs door o.m. economische groei en de lage energieprijzen.

Nederland kent op Portugal en Spanje na (landen met een economische inhaalrace) de grootste toename in CO2-uitstoot. Grote industriële bedrijven als Aldel worden niet extra belast maar worden jaarlijks met miljoenen gesubsidieerd. Broeikasgassen en energieverbruik konden ook niet alleen beperkt worden met maatregelen op grondstoffen en het invoeren van belastingen. CO2-reductie en milieuaanpak ging veel meer samen met lifestyle en economische groei (autorijden en vlees eten). Bovendien zouden milieuproblemen in het neoliberale paradigma niet door de overheid opgelost moeten worden, maar door de vrije markt, bedrijven, burgers of maatschappelijke organisaties. Het Wereld Natuur Fonds is de grote aanjager van het maatschappelijk debat over klimaatverandering in de jaren ’90. Het WNF onder leiding van dezelfde Ed Nijpels uit zich voor het eerst zeer kritisch op het klimaatbeleid. De mensen kregen veel te weinig de externe kosten van autorijden en de groeiende veestapel op de rekening gepresenteerd. Het WNF legt de relatie tussen broeikaseffecten en het verdwijnen van diersoorten en de toename van bedreigde diersoorten.

Daarnaast gaat volgens het WNF de aanpak van het broeikaseffect gepaard met de groei van het aantal banen wat goed is voor de economie. Te veel en te hard beleid van de overheid werd ook als betuttelend ervaren. Het mocht sowieso niet te veel geld kosten. Ook was het klimaatprobleem lastig aan de man te brengen omdat het niet om direct zichtbare effecten ging zoals zure regen of gifbelten. Het gaat om een mondiaal probleem waar mensen zich nietig bij voelen. Dit gevoel maakt mensen passief. Wat kan een individu bijdragen aan een totaal mondiaal probleem? Dat is hetzelfde wat sommige mensen hebben bij verkiezingen: wat is het zin van mijn ene stem op de politieke besluitvorming? Het klimaatprobleem is ook een toekomstig probleem dat invloed heeft op de volgende generaties. Maar mensen zijn geneigd om beslissingen over een lange termijn voor zich uit te schuiven. Dat maakt het klimaatprobleem weinig concreet en tastbaar. Mensen zijn niet goed in staat om de langlopende effecten over een periode van 20-50 jaar te overzien. Zowel economisch als ecologisch kiezen mensen voor de korte termijn. Evolutionair gezien ben je ook eerder geneigd om te reageren op gevaar dat jou of je naaste omgeving direct treft.

Begin jaren ’90 worden wel flinke stappen gezet in het mondiale beleid op klimaatverandering. De koude oorlog was voorbij en in deze periode ging het meer om armoedebestrijding en het behoud van de aarde. In 1992 werd de eerste mondiale klimaattop gehouden in Rio de Janeiro. Er was veel goede wil van regeringsleiders en er heerste een positief gevoel over de mogelijke oplossingen. In Kyoto kwam in 1997 een nieuw klimaatverdrag tot stand dat meer gebaseerd was op onderhandelingen en een minder vrijwillige karakter had. Er werd afgesproken dat er scherpe reductiedoelen kwamen voor de industriële landen en dat ontwikkelingslanden grotendeels werden ontzien.

In het Kyoto-verdrag is Nederland betrokken via de Europese Unie onderhandelingen. Europa bepaalt de Europese ambities per individueel land. De totstandkoming ging van het verdrag verliep uiterst moeizaam met vele tegenstellingen tussen Noord-Zuid, landen die profiteren van reductie en landen die economisch nadeel ondervinden van verscherpte reductiedoelen. Vooral Japan en de Verenigde Staten hadden veel bezwaren. De doorbraak kwam onder meer door de inbreng van Al Gore als vice-president van de VS. Kyoto bood een nieuw platform voor internationale technologische samenwerking en er werd een begin gemaakt met het handelen in internationale CO2-rechten: emissierechten (EUETS), een markt waar je emissierechten kunt verhandelen (free market environmentalism versus command and control environmentalism).

De vrije markt lost het probleem van vervuiling op, zonder belastingverhoging en extra regelgeving. Na de internationale onderhandelingen werd besloten dat zowel Europa, Japan als de VS CO2 gaan reduceren. Nederland moest 6% procent CO2 reduceren in 2010 ten opzichte van 1990. Ondanks dat een deel van de uitstoot ook nog in het buitenland gerealiseerd mocht worden en het uiteindelijke resultaat van de reductie veel lager was dan voorheen vonden de meeste prominente leden van het kabinet de nieuwe doelstellingen veel te ver gaan. Na het Kyoto protocol verdwijnt Nederland uit de invloedssfeer. Van een koploper en uitdrager van internationale samenwerking op mondiaal klimaatbeleid naar de wens om niet langer voorop te lopen. Nederland doet wat afgesproken is en daar blijft het bij. Andere landen zoals Zweden neemt deze koppositie over door het neerzetten van hoge ambities en het verplicht stellen van het Kyotoprotocol. Nederland koopt de helft van de Kyoto reductiedoelstellingen af door het opkopen van emissierechten uit ontwikkelingslanden. Zweden en Duitsland zijn hier fel op tegen. Duitsland is o.m. voorstander van het afschaffen van subsidies op fossiele brandstoffen en vastgestelde tarieven voor duurzame energie op lange termijn (het feed-in tarief).

Wereldwijd speelt de VS een belangrijke rol in het mondiale klimaatbeleid. Op de interventie van Al Gore na hanteert de VS voornamelijk een afhoudende rol. Geen enkel land zal invloed hebben op de Amerikaanse levensstijl met de hoogste energieconsumptie van de wereld. Buitenlandse bemoeienis wordt niet gewaardeerd. Zonder Amerikaanse mededeling komt het mondiale klimaatbeleid op losse schroeven te staan. De Amerikanen nemen een kwart van de wereldwijde energieconsumptie in. Amerikanen zijn met hun grote auto’s en hun riante levensstijl letterlijk verslaafd aan olie. De Amerikanen kennen daarnaast een krachtige samenwerking van fossiele lobbygroepen: een samenwerking tussen de olie-industrie, autofabrikanten en de energie-industrie met een jarenlange lobby waarin klimaatverandering systematisch ontkend of betwist wordt.

Daarnaast heerst er de angst voor een economisch machtige China en verlies van concurrentiekracht bij invoering van een mondiale klimaatkoers. Zowel de Verenigde Staten, China en India hebben zich afwezig gehouden tijdens de ratificatie van het Kyoto-verdrag. Klimaatverandering en energiebeleid is dusdanig complex. Belast je de producenten (vervuiler) op CO2 of de gebruikers (consumenten), veel energie-intensieve producten worden gefabriceerd in China maar geconsumeerd in westerse landen. Hoe voorkom je mondiale freeriders-gedrag, landen die profiteren doordat ze weigeren deel te nemen? Hoe bereken je vervuiling, hoe registreer je vervuiling mondiaal en wie betaalt de kosten van klimaatverandering (overstromingen, hongersnood, orkanen etc.). Ontwikkelingslanden lopen een extra risico door mondiale vervuiling en klimaatverandering met name de laaggelegen delta’s.

Uit enquêtes blijkt dat ontwikkelingslanden klimaatverandering veel meer raakt dan de westerse landen omdat ontwikkelingslanden minder de mogelijkheden hebben om zich te beschermen tegen droogte, orkanen, overstromingen en honger. Bovendien zijn ontwikkelingslanden met een lagere uitstoot minder verantwoordelijk voor de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen. Internationaal zie je dat veel problemen op elkaar afgewenteld worden waardoor uiteindelijk actie om problemen op te lossen ontbreekt. Met name de Verenigde Staten verzet zich tegen bindende afspraken die hun soevereiniteit aantasten.

Na de eeuwenwisseling heerst er in Nederland een milieu-nu-even-niet sfeer. Milieu is uit de politieke belangstelling geraakt. Na de WTC aanslagen in 2001 ging het debat over de multiculturele samenleving en de economische recessie en was de politieke arena sterk gepolariseerd tussen links en rechts (opkomst van Fortuyn en de LPF).

Naast de economische opleving in de jaren ’90 ontstonden er ook nieuwe vormen van subculturen. De dance en elektronische muziek bloeide op in trance, house en gabber muziek (hardcore). Met name de gabber cultuur zette zich af tegen de mainstream en de popmuziek. Gabbermuziek is een typische Nederlandse muziekstroming met heel veel Nederlandse producers.

Aan de ene kant bloeide de elektronische muziek op aan de andere ontstond grunge en alternative rock met bands zoals Nirvana, Sound Garden Creed, Alice in chains en Pearl Jam. In deze periode werd er veel met synthetische drugs geëxperimenteerd. Nederland staat bekend om zijn grootschalige xtc handel, maar ook om de vele koffieshops waar je vrij cannabis kan verkrijgen. In Nederland werd het mogelijk om samenlevingscontracten te sluiten tussen partners van hetzelfde geslacht. Hierdoor konden homo’s nu ook met elkaar trouwen. Officieel werd het homohuwelijk in 2001 ingevoerd.

De jaren negentig kenmerkt zich grotendeels door vrijheid en tolerantie. Niet alleen tolerantie ten opzichte van anderen, maar ook meer sociaal, politiek, culturele en economische vrijheden. Deze tolerantie naar anderen ontstond onder meer door het verdwijnen van angst voor een bepaalde tegenstander (koude oorlog). De tolerantie werd grotendeels teniet gedaan door het vinden van een nieuwe tegenstander: de moslims ipv de Russen. De C(l)ash of civilizations.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s