Geopolitiek – geschiedenis van machtsverhoudingen

Het doen, laten en bewegen in het alledaagse leven wordt onder meer gevormd door de geopolitieke context waarin wij leven. De term geopolitiek verwijst aan de ene kant naar onderlinge politieke betrekkingen op de aarde in de breedste zin van het woord. Aan de andere kant gaat het in de enge vorm om politieke betrekkingen tussen landen. Voor het ontstaan van geografisch afgebakende natie staten bedreven instituties ook al geopolitiek op basis van een bepaalde gelegitimeerde of afgedwongen macht. Je kunt je ook gewoon afvragen: hoe werkt de wereld eigenlijk op het gebied van machtsverhoudingen en wie controleert en regeert welk gebied en welke grondstoffen? Welke grote veranderingen zijn er gaande? Welke gevolgen hebben nieuwe technologische ontwikkelingen. Wie zijn de grote denkers en het is tijdperk van geopolitiek voorbij of zitten we er juist middenin?

Het woord geopolitiek is historisch gezien nog niet eens zo heel oud. Geopolitiek is een menselijke constructie dat in de 19e eeuw is ontstaan na de ‘uitvinding’ van de natiestaat. In 1899 werd de term ‘geopolitiek’ voor het eerst gelanceerd door Rudolf Kjellen. In Duitsland heeft Rudolf Hess de term gepopulariseerd voor het nazi regime. Geopolitiek wordt ook wel politieke geografie genoemd. Het gaat daarbij vooral om de internationale betrekkingen tussen landen en de machtsverhoudingen tussen landen. De materiële claim op territorium, grondstoffen (olie), goud, geld, drugs spelen daarin een grote rol. Aan de andere kant spelen onderlinge sociaal maatschappelijke betrekkingen een belangrijke rol. Het gaat dan om status, familiaire banden, hiërarchie, ideologie, cultuur, autoriteit, legitimiteit, etc. Materiële en non-materiële machtsrelaties zijn bijna altijd met elkaar verbonden. Het hebben van veel geld staat in veel culturen gelijk aan het hebben van veel aanzien en macht.

Geopolitieke machtsverhoudingen zijn altijd in beweging. Geopolitieke autoriteiten bloeien op, stabiliseren zich en vallen ook weer om. De staat heeft een bepaalde levensloop. Vanaf de 19de eeuw hebben we bepaalde staten ‘definitief’ vastgesteld. Maar mondiaal kunnen we de wereldpolitiek beter beschouwen vanuit  het perspectief van de Heartland theory (Mackinder, 1904). Europa, Azië  en Afrika vormen het grote dominante vaste land (the Heartland): de oude wereld met de eerste beschavingen. Daarom heen bevinden zich de kustgebieden (offshore islands) zoals Japan. Noord, Zuid Amerika en Australië vormen de ver gelegen eilanden: the outlying islands. Het Heartland wordt historisch gezien gedomineerd en geregeerd door Rusland en strekt zich uit van de Volga tot de Yangtze en van de Himalaya tot de Arctic. Rusland heeft als grootste land van de wereld met vele grondstoffen (vooral olie en gas) altijd een belangrijke rol gespeeld op het wereldtoneel. De grootte van het land en de barre weersomstandigheden (landklimaat) maakte van Rusland een onneembare centraal geleide vesting, waardoor het fysiek geografisch altijd een groot land kon blijven.

Nicolas Spykman zet daar de Rimland theorie tegenover. Waarbij juist de randgebieden een dominante rol spelen op het wereldtoneel. Juist West Europa, Zuid Oost Azië en de VS de belangrijkste mondiale machthebbers zijn. Deze twee uiteenlopende theorieën vormen de basis voor de bipolaire verhoudingen in de wereld. Niet alleen in de koude oorlog, maar ook daarvoor en daarna. Mondiale conflicten ontstaan als de balans tussen machten veranderd of als een grote machthebber wegvalt. De stabiliteit op het wereldtoneel verdwijnt. Mackinder’s perspectief is gebaseerd op de dominantie van het ‘Russische’ Heartland. Wie dat land bezit, bezit 50% van de grondstoffen en heeft een centrale strategische wereldpositie en domineert daardoor de rest van de wereld. Aan de ene kant ontstond er een strijd om het vaste land tussen Rusland en Duitsland. Aan de andere kant ontstond er een strijd op zee tussen Groot-Brittannië (later de VS) en Duitsland. De industriële revolutie en het modernisme zorgde voor enorme wapenwedlopen op zowel land als zee over de controle van het Heartland. Tot 1915 hield de VS zich vooral afzijdig (isolationisme). De strijd om het Heartland en de werelddominantie verzwakte de 19e eeuwse natie-staten tijdens de wereldoorlogen. Veel geld, kapitaal ging verloren in oorlogsvoering. Er werden grote schulden opgebouwd.  Het betekende het einde van de grote koloniaal geregeerde Keizerrijken.

Groot-Brittannië leverde de dominante wereldzee positie in aan de Verenigde Staten. Het Duitse Keizerrijk werd vervangen door de Weimarepubliek en de Russische revolutie maakte een einde aan het eeuwenoude Tsarenrijk. Er kwam een eind aan het familiaire Keizerrijk. De drie grote keizers/koningen waren allemaal afkomstig uit het huis Saksen-Coburg en Gotha. Macht lag voor 1850 en het modernisme vooral bij de koninklijke vorstendommen. Met de invoering van grondwetten en meer liberale opvattingen kwam daar geleidelijk een einde aan. De macht verschoof van familiaire koninklijke banden naar kapitalistische netwerken. Het censuskiesrecht is daar het voorbeeld van. Je mocht stemmen als je voldoende belasting kon betalen. Later verschoof de macht naar een meer parlementaire representatieve democratie. De invloed van de klassenstrijd tussen kapitaal en arbeid binnen het politieke domein werd groter. Onder ander door Karl Marx en Friedrich Engels. Wereldwijd braken er revoluties uit waarbij socialisten en communisten streefden naar materiële en economische gelijkheid. De macht lag bij de centraal geleide partij. Het was een doorbraak met de absolutistische macht van de koning en keizer die via God bepaalde wat goed was voor het volk. Het was ook een stem tegen het kapitalisme en de uitbuiting van de arbeider. Zowel de keizer als de kapitalist verrijkte zich door het volk, de arbeider schaamteloos uit te buiten. Uiteindelijk zou het volk dit niet meer pikken en in opstand komen. Deze revoluties, opstanden, strijd tussen stromingen maakten de natie staat aan de ene kant via het modernisme groot en sterk. Het zorgde voor een sterke nationale identiteit, nieuwe technologie, vooruitgang. Maar het brak bestaande machtsverhoudingen ook af. In zowel de eerste en tweede wereldoorlog bracht het mensen enorme ellende, dood, verderf, schulden pessimisme, enorme verspilling van levens, grondstoffen en onnodig leed. Uit deze chaos ontstond een Nieuwe Wereld Orde: De Verenigde Staten. De Verenigde Staten heeft zich als hegemonie kunnen vormen, omdat het zich eerst juist isoleerde: de tussenliggende regio theorie. Waar twee vechten om een been gaat een derde er mee heen. Momenteel bevindt China zich in deze positie.

Vanaf 1944 vormde de Verenigde Staten een hegemonie met wereldwijd het grootste en sterkste leger, 1 wereldmunt (de dollar),  de belangrijkste banken en de geopolitiek macht via de VN, gevestigd in New York. Tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog verschoof de machtspositie omdat de bestaande dominante heerser geen grote wereldrijken konden onderhouden. De steeds maar toenemende belastingen uit de kolonies veroorzaakten grote onrusten, door de industrialisatie daalden de prijzen en grote militaire expedities en militaire controle over ver gelegen gebieden was kostbaar. Economisch, politiek en moreel waren kolonies onhoudbaar geworden en de enorm hoge kosten van de wereldoorlogen werden onbetaalbaar. De Britse Pond was niet meer de wereldmunt. Toch hebben de Britten en Fransen een enorme neokoloniale geschiedenis achter gelaten in het Midden-Oosten en Afrika. Deze koloniale geschiedenis gecombineerd met een religieus-politieke strijd tussen tribale stammen, warlords, dominantie over grondstoffen bepaalt nu de agenda van het terrorisme. Wij erven de nadelen van ons westerse neokoloniale verleden. Door de globalisering en immigratie komt het terrorisme nu ook erg dichtbij. De complexiteit neemt nog extra toe doordat het Midden-Oosten altijd een proxy-oorlog geweest is tussen verschillende grootmachten zoals nu Amerika en Rusland. Voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog was het een strijd tussen de Triple Entente: Rusland, Groot-Brittannië en Frankrijk en de Triple Alliantie (drie bond of centralen): Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk. De grote hoeveelheden olie die begin 20ste eeuw gevonden zijn in het Midden-Oosten vormt de basis voor deze proxy-oorlogen. Internationale economische belangen vormen de basis voor inmenging in soevereine staten. Religie, wraak, angst, politiek zijn eerder de middelen om toegang te krijgen tot deze economische belangen. De olie industrie is de grote aanjager geweest voor geopolitieke machtsstructuren en geopolitieke conflicten. Amerika is wereld heerser omdat Amerikaanse dollar gekoppeld is aan de internationale oliehandel. Groot-Brittannië kon de wereldzeeën overheersen door de dominantie van de Britse vloot die liep op steenkool.  Toegang tot energiebronnen en grondstoffen vormt de basis voor een hegemonie. Momenteel beschikt China over een groot deel van alle schaarse grondstoffen in zowel binnen- als buitenland.

Het is bijna niet vol te houden om een groot rijk voor een lange periode stabiel te houden. Momenteel staat het Amerikaanse ‘Rijk’ op instorten. Tot 1971 kon het monetaire wereldsysteem rekenen op een stabiele Amerikaanse Dollar die deels gekoppeld was aan een semi goudstandaard. Het Bretton Woodssysteem. Om oorlogen te kunnen financieren moest de Amerikaanse Bank de FED extra geld scheppen voor leningen aan de overheid. De koppeling met de goudstandaard werd volledig los gelaten. De dollar werd een fiatvaluta. De economie veranderde. Amerika begon steeds meer schulden te maken en kon de dollar alleen versterken via de oliehandel in dollars. Amerika werd een schuldeneconomie. In de jaren 80 en 90 liepen de schulden op via hypotheken en creditcards. Iedereen betaalde elkaar op basis van krediet. Amerika veranderde van een productieland in een consumptieland: het land van de decadentie. Een land dat nooit meer in staat is om schulden af te betalen. Het land houdt zijn economie lopende via kredieten gedekt door de petrodollar. China is de grootste kredietverstrekker aan Amerika en beschikt over vele miljarden dollars. Zolang China nog vertrouwen heeft in een sterke dollar blijft het vertrouwen in elkaar gewaarborgd. China heeft zelfs behoefte aan een sterke dollar. Productie en exportland wordt daardoor relatief goedkoop. China is niet voor niets het productiehuis van de wereld. Het heeft dan ook last van een enorm vervuilende industrie. Maar China voelt ook het gevaar van de enorme Amerikaanse schuldenberg. Is Amerika wel in staat om de schulden aan China terug te betalen? Die kans is niet groot. Het vertrouwen in de dollar neemt daarmee af. Maar daardoor wordt de dollar ook relatief goedkoper wat slecht is voor de Chinese handelspositie. Bovendien wil de Chinese regering elk jaar met een enorm hoog percentage economisch groeien. Deze van boven opgelegde groeidwang zorgt voor enorme bubbels in de vastgoedsector. Er staan hele steden vol met woningen, kantoren, infrastructuur waar helemaal geen vraag naar is of waar de prijzen enorm hoog zijn. Het is een markt die op instorten staat omdat er uit deze spooksteden geen rendement gehaald wordt. De Chinese economie houdt zich zelf en anderen ook voortdurend voor de gek door de kunstmatige devaluatie van de Chinese munt. Met een goedkope munt ben je voordelig voor het buitenland. Maar moet je een enorm productie en export niveau hanteren die een grote aanslag levert op je eigen land, arbeidskracht en grondstoffen. Een kunstmatige devaluatie kan een depressie in leiden of een internationale valuta crisis veroorzaken. Bij meer vraag naar Chinese producten zou je een stijging van de munt verwachten. China doet kunstmatig precies het tegengestelde. Dat lijkt op marktmanipulatie. Geopolitiek en economisch hebben Amerika en China een haat – liefde verhouding. Ze zijn van elkaar afhankelijk maar aan de andere kant concurreren ze ook met elkaar. Niet alleen op basis van economie, maar ook op basis van ideologie. Amerika promoot democratie en de ‘vrije’ markt. China hanteert een semi kapitalistisch staatsmodel.

Op het geopolitieke vlak vormen Amerika en Rusland eerder een militaire oorlog dan een economische oorlog. Rusland staat er economische slecht voor. Het heeft een zeer verouderde homogene economische structuur en is veel te veel afhankelijk  van olie en gas opbrengsten. Het gebrek aan economische kracht en innovatie verdoezelt Putin met militaire daadkracht in Oost-Europa (Oekraine en Krim) en door hard op te treden in Syrië door het regime Assad te steunen tegen ISIS en de rebellen.

Zbigniew Brzezinski (van oorsprong Pools) is een van de belangrijkste Amerikaanse adviseurs voor defensie (vanaf het tijdperk Kennedy) die uit gaat van het Heartland Model. De macht van Eurazië als contragewicht voor de Amerikaanse hegemonie wordt als belangrijkste factor gezien voor internationale politieke belangen. Brzezinski stichtte samen met David Rockefeller de Trilateral Commission op om enerzijds de instabiliteit door ongelijke economische groei op te vangen en aan de andere kant westerse kapitalistische belangen tussen Amerika, Japan en West-Europa te verenigen. Brzezinski wordt gezien als de democratische tegenhanger van de republikeinse Henry Kissinger. In 1979 anticipeerde Brzezinksi op de val van de Shah in Iran en de inval van de Sovjet-Uni in Afghanistan door samen te werken met Pakistan, Saoedi-Arabië en Taiwan en de inzet van rapid deployment forces. Brzezinski voorspelde de val van het communisme, het wegvallen van internationale goodwill bij de Amerikaanse deelname aan de Golfoorlog. Ook is Brzezinski een voorstander van de uitbreiding van de NAVO als tegenhanger voor de expansiedrift van Poetin, waarin Oekraïne een belangrijke rol speelt. Vanuit de Heartland theorie speelt Oekraïne een belangrijke factor voor de Euraziatische dominantie. Binnen die gedachte is Rusland met een Oekraïne een belangrijke invloedrijke speler op het wereldtoneel en moeten we alles in staat stellen om Oekraïne in het westerse kamp te krijgen. Brzezinski kreeg veel kritiek op de betrokkenheid en formatie van de Mujahedin in Afghanistan tegen de Sovjet-Unie in Afghanistan tijdens de Reagan periode. Hij veroordeelde wel de War on Terror van het Bush regime en de inval in Irak in 2003. In 2004 bracht Brzezinski het boek de Grand Chessboard uit. Een boek over geopolitieke internationale belangen. Een geostrategische visie voor Amerika vanuit de Heartland Theory.

Henry Kissinger (diplomaat) is een voorstander van realpolitik en was veiligheidsadviseur van Nixon en Ford. Het laatste boek van Kissinger gaat over de New World Order: hoe werkt de wereld? Aan de ene kant wordt Kissinger geloofd om zijn nuchtere real politik en zijn bijdragen aan vredesbesprekingen en ontspannen relatie met de Sovjet-Unie. Aan de andere kant wordt Kissinger verantwoordelijk gehouden voor genocide en gezien als oorlogsmisdadiger. Kissinger is een joods-duitse migrant die studeerde in New York. Kissinger adviseerde de National security council en study director in nucleaire wapens bij de council on foreign relations. Kissinger adviseerde de Rockefellers en adviseerde Nelson Rockefeller voor de Republikeinse partij. In 1968 werd hij de veiligheidsadviseur van Richard Nixon en Ford. Kissinger was ook verantwoordelijk voor de moeizame relatie met China die uiteindelijk wel tot een collectieve anti Sovjet-Unie alliantie leidde tussen de VS en China. Kissinger had ook dubieuze financiele belangen in China via zijn bedrijf Kissinger Associates. Kissinger verliet het politieke toneel toen de democratische Carter president werd. Kissinger is o.m. lid van de volgende groepen:

Via complottheoristen en zijn eigen boek wordt Kissinger in verband gebracht met de New World Order Agenda. Het ontvolkingspunt uit 1974 veroorzaakte grote onrust. Bush sr., directeur van de CIA moest tijdens de Ford regering het ontvolkingsplan samen met Scowcroft uitvoeren via geboortebeperking, hongersnood en oorlog.

 

The Great Game: Groot-Brittannië versus Rusland

De voorloper van de Heartland Theory was The Great Game (1813-1907) of ook wel de Tournament of Shadows genoemd. Het was het strijdtoneel om centraal Azië tussen het Britse en Russische Rijk ten koste van Perzië, Afghanistan en de centraal staten in Azië. De Russische uitbreiding vormde een bedreiging voor het Britse India. Afghanistan zou een invasie post worden van de Russen om India binnen te vallen. Deze angst veroorzaakte de eerste Anglo-Afghaanse oorlog in 1838. De Britten installeerden een puppet regime: Shula Shah. Maar de Afghaanse bevolking accepteerde dit regime niet. Afghanistan bleef wel steeds een bufferstaat tussen Rusland en Groot-Brittannië, waarin India een grote rol speelde op het Centraal Aziatische continent. Tijdens de tweede Anglo-Afghaanse oorlog (1878) kreeg Groot-Brittannie de controle terug over Afghanistan. De rebellen werden verslagen. In 1884 brak er bijna een totale oorlog uit tussen de twee grootmachten door het Pandjeh incident. Een overname van de Merv Oasis door de Russen op Afghaans grondgebied. Eind 19e eeuw werd de grenzen vastgesteld en verschoof de strijd en de expansielust van Rusland naar het oosten: China, Mongolië en Tibet. De angst voor Rusland was eigenlijk onterecht. Rusland en China waren door interne rebellie, natuurlijke omstandigheden en expansiedrift zeer verzwakt. In tegenstelling tot China en Rusland was Japan een land dat sterk gemoderniseerd was met westerse technologie. Japan versloeg relatief eenvoudig Rusland (Tsaar Nicolaas II) en China (Qing dynastie). De Qing dynastie werd eind 19de eeuw versterkt met westerse wapens (Duitsland en Groot-Brittannië) tegen een mogelijke nieuwe Russische invasie. Aan de kuststrook bleef China erg kwetsbaar. Het had nauwelijks een haven en kon niet op tegen de sterke Britse en Japanse zeemacht. Bovendien verzwakte China zich door de opium-oorlogen.

De opkomst van een sterk industrieel Duitsland zorgde voor het einde van het eerste deel  van de Great Game. Handel en nieuwe technologie legde Mesopotamië en Perzië bloot. Duitsland werkte aan de Bagdad lijn. Een spoor dat een grote bedreiging vormde voor Rusland en Groot-Brittannie. De twee grootmachten legden de geschillen bij tijdens de Anglo-Russian conventie in 1907. De grenzen in Afghanistan bleven onder Britse controle. Rebellen zouden Rusland met rust laten. Perzië (Iran) zou in drie zones verdeeld blijven. Een noordelijk deel (Russisch), een zuidelijk deel (Brits) en een buffergebied.

De revolutie van de Bolsjewieken in 1917 luidde de tweede fase van de Great Game in. In 1919 brak de derde Anglo-Afghaanse oorlog uit na de moord op Habibulah Khan. Zijn zoon viel de Noordelijke grens van het Britse India aan. Afghanistan kreeg een onafhankelijk bestuur en Rusland tekende een vriendschapsverdrag met Afghanistan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog liepen de Russische en Britse belangen gelijk op in centraal Azië. Na de Tweede Wereldoorlog verdween Groot-Brittannië van het wereldtoneel en werden de Britten opgevolgd door de Amerikanen. De periode van de koude oorlog tussen de grootmachten Sovjet-Unie en Amerika brak aan. Aan de ene kant de NAVO bondgenoten onder leiding van de Amerikanen. Aan de andere kant het centrale Sovjet gezag met de satellietstaten gebaseerd op de nucleair mutual assured destruction relatie: The Great Game II. Het betekende ook het einde van de groot macht Groot-Brittannië, een einde van de Britse, Franse en Nederlandse kolonisatie en de opkomst van nieuwe staten in de oude kolonies in Azië, Afrika, Indonesië etc. Het halfslachtige werk van de oude kolonisatoren laat zijn sporen na. Het Midden-Oosten, Afrika, Centraal Azië kennen allemaal hun mislukte staten (graveyard states) waarin het land eerst is uitgebuit door de kolonisator en later de strijd tussen Oost en West heeft meegemaakt, terwijl het land vaak intern nog in conflict is met zichzelf via allerlei warlords en tribale oorlogen.

De val van de Sovjet-Unie in 1990 betekende het einde van de koude oorlog en nieuwe kansen voor het westen: The New Great Game (Blood and oil in Central Asia). Vooral de onontgonnen olie en gas gebieden aan de Kaspische Zee zorgden voor een nieuwe interesse in het Aziatische gebied. Met de aanleg van nieuwe pijpleidingen kon er een tweede Perzische Golf ontstaan naar nieuwe wereldmarkten. Vanuit het Amerikaanse perspectief werd de toegang verschaft via de War on Terror. Een volgens de Amerikanen legitieme reden om Afghanistan en Iraq binnen te vallen om zichzelf te beschermen tegen terreur. De westerse mogendheden hadden deze preemptive war nodig om toegang te krijgen tot de pijpleidingen (Dick Cheney, Halliburton). In 1971 werd door de Nixon de koppeling met de dollar aan goud helemaal los gelaten (einde Bretton Woods) en werd de afhankelijkheid van de dollarkoers aan olie nog groter. In het Midden-Oosten kregen de grote oliestaten steeds meer macht. In de jaren ’60 vormde de OPEC (olieproducerende landen) al een blok en boycotte ze de westerse landen voor de steun aan Israël. De Amerikaanse invloed op de oliesector werd steeds minder waardoor er mondiale crises ontstond. Saoedi-Arabië, Egypte en Irak waren nog wel bondgenoten van Amerika, maar Iran, Syrië, Libanon (gesteund door Rusland) waren gezworen vijanden. In 1979 gooide de Iraanse Revolutie de Amerikaanse geïnstalleerde Sjah-regime omver. Iran kwam in conflict met Irak en in de jaren ’90 brak de Golfoorlog uit tussen Irak en Amerika na de Irakese inval in Koeweit. Amerika trad op als grote politiemacht die de onrusten in het Midden-Oosten moest oplossen. Tegelijkertijd was de Amerikaanse verslaving aan olie immens en was het een goede mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de Aziatische oliebelangen.

De 9/11  aanval in 2001 op o.m. het Pentagon en de Twin Towers was een prima aanleiding om een oorlog te beginnen in Iraq en Afghanistan. Onder het mom van het bestrijden van het Taliban-regime in Afghanistan die Al Qaida toeliet in hun trainingskampen. De Amerikanen installeerden het Karzai regime om controle uit te oefenen op de hele regio. In 2003 viel Amerika via George Bush jr. Irak binnen vanwege de ‘vermeende’ massavernietigingswapens. Amerika kon Saddam Hoessein afzetten en executeren, maar had nooit een vervolgplan opgesteld om het land ordelijk te besturen. De Baath partij kreeg geen enkele invloed meer binnen het Irakese bestuur, waardoor het in opstand kwam en samen met verschillende Soennitische terroristische bewegingen een eigen islamitische Staat: een Kalifaat wil oprichten. Het Kalifaat breidde zich uit naar Syrië waardoor er een enorme burgeroorlog ontstond in Syrië tussen vele verschillende partijen. Amerika steunde eerst nog de rebellen die zich verzetten tegen het Assad regime. De Russen steunen juist wel het Assad regime tegen de rebellen. Deze proxy-oorlog tussen de grootmachten, nationale machten, regionale tribale machten zorgde voor grote vluchtelingenstromen die eerst de naastgelegen landen ontwrichten en vanaf 2014 en 2015 ook de Europese grens oversteken.

Na 2012 ligt de focus van de Amerikaanse strategie steeds meer op de komst van China als grootmacht. De economische macht van Rusland neemt af en de kracht van China met elk jaar flinke economische groeicijfers neemt toe. Bovendien verzwakt China zich niet door te interveniëren in grootschalige internationale militaire operaties. China hanteert een totaal andere geostrategische politiek. Een politiek die veel meer gericht is op economische samenwerking met ontwikkelingslanden, grondstoffenpolitiek en de maakindustrie (gebaseerd op infrastructuur) die steeds meer groeit naar een financiële dienstenindustrie, maar wel sterk gekoppeld is aan real assets. The Great Game van nu en de toekomst zal meer gaan over de opkomst van China als winnaar en minder gaan over de failed states in het Midden-Oosten.

Daarnaast kan er ook een hele andere ontwikkeling ontstaan. Het einde van de totale Great Game Theory. Door regionale verzelfstandiging van gebieden worden naties en grote mondiale instituten steeds minder belangrijk. Regio’s organiseren hun eigen energie politiek, regelen hun eigen monetaire zaken (eigen muntregio’s) en zijn minder afhankelijk van nationale en mondiale invloeden. Deze beweging zien we al ontstaan in de grote stadstaten. Decentrale stadstaten regelen hun zaken zelf. Voedsel, energie, water, grondstoffen werven ze zelf via duurzame circulaire systemen. Op die manier maak je je eigen regio weerbaar voor verschillende crises. Een resourced based economy kan in theorie het einde betekenen van grote mondiale en regionale politieke conflicten tussen grootmachten. Een stadstaat die zijn eigen zaken regelt hoeft niet meer te strijden om grondstoffen uit een ander gebied. De grote vraag is hoe je die grondstoffen op een efficiënte circulaire manier in je systeem krijgt. Een zelfregulerende stadstaat of regio vormt ook een bedreiging voor de mondiale en nationale elite structuren die op deze manier hun machtsmonopolie verliezen. De wapenindustrie, de fossiele sector en de banken elite zullen een stuk minder blij zijn met zelfregulerende regio’s.

Geopolitiek is ook een kwestie van perspectief. Bekijk je geopolitiek belangen vanuit een economisch perspectief, of een fysische deterministisch perspectief. Ook bekijk je geopolitiek vanuit een bepaalde regio en vanuit een historische kader. Staten claimen bijvoorbeeld het recht op territorium op basis van een gemeenschappelijke (ontstaan) geschiedenis, religie of cultuur.

Die culturen zijn ontstaan vanuit tribale jagers- en verzamelaars samenlevingen naar neolithische landbouwculturen, naar meer stedelijke culturen waarin arbeidsspecialisatie, schrift en meer efficiëntie in economische systemen mogelijk werd. Door het schrift waren culturen beter in staat om rituelen, gebruiken, tradities vast te leggen en over te dragen. Ook werd administratie, handel, wiskunde en technologische ontwikkelingen vastgelegd waardoor er vooruitgang geboekt kon worden. Door arbeidsspecialisatie kon er een elitaire structuur ontstaan die de organisatie van een samenleving inrichtte. Bestuur en religie vormden eeuwenlang de basis voor de agrarische samenleving. Agrarische samenlevingen kennen daardoor een meer hiërarchische structuur. Jagers en verzamelaars samenlevingen kennen een meer homogene structuur (iedereen is van elkaar afhankelijk). Echte machtsposities ontstaan in agrarische samenlevingen waar de mogelijkheid is om binnen hiërarchische posities economische belangen vast te leggen. Binnen de eerste neolithische stadstaten en de latere feodale systemen werd dat mogelijk gemaakt door de opslag van graan, arbeidsspecialisatie (metaalbewerking), het schrift waarin rechten en plichten werden vastgelegd en religie voor de binding van een samenleving en rechtvaardiging van een elite (bestuur).