Het tijdperk van ongeremde groei

Het tijdperk van ongeremde groei

Tot hoever kunnen we economisch nog doorgroeien. Kunnen we oneindig veel groeien of zitten er economische, ecologische en maatschappelijke grenzen aan groei?

oiltanker_exxon_desert480x320

In de economische modellen en brede politieke opvattingen van nu gaan bedrijven overheden en burgers (samenlevingen) vooral voor economische kwantitatieve groei. De economie, het Bruto Nationaal Product en het inkomen moeten groter worden en vooral niet krimpen. Als bedrijf moet je groeien om mee te doen om de concurrentie voor te blijven (fusies, schaalvergrotingen etc.). Overheden en bijna alle politieke partijen (Partij voor de Dieren en Groenlinks uitgezonderd) streven naar meer kwantitatieve economische groei. Het geloof dat economische groei zorgt voor meer werkgelegenheid is heel sterk. Door kwantitatieve groei krimpt de schuldenlast van de Staat en komt er meer inkomstenbelasting en vennootschapsbelastingen binnen van salarissen en winsten, bovendien gelooft men dat de werkgelegenheid toeneemt. Vanuit dit oogpunt heeft een groeiende economie alleen maar pluspunten. Het is dus niet raar dat mensen geloven in de ‘heilige’ werking van economische groei. Het wordt ons namelijk dagelijks ingeprent (media, onderwijs, politiek, bedrijfsleven). Het mantra: economische groei is altijd goed behoort tot onze westerse neoliberale cultuur. Daar hoeven we eigenlijk niet meer over na te denken en dat doen we dan ook bijna niet meer. Politieke partijen wijzen graag op deze dogma’s: we moeten alleen maar zorgen voor economische groei en dan komt alles goed. Economische groei als heilstaat en grondlegger voor het individuele geluk binnen de nationale staat.

Momenteel zitten we nog steeds in het (neoliberale) paradigma van groei, schaalvergroting, deregulering, privatisering en concurrentie op kwantiteit waarbij het uitgangspunt ‘greed is good’ gehandhaafd blijft. We leven in het tijdperk van het commercieel-darwinisme: alleen de bedrijven en organisaties die zoveel mogelijk klanten of leden aan zich weten te binden blijven over. Het verkopen van zoveel mogelijk producten, diensten of lidmaatschappen (ledenorganisaties) staat centraal. Aanpassing aan de klant is cruciaal, maar ook reclame en marketing zijn zeer belangrijke sturende instrumenten voor hyperconsumptie (consumentisme) of binge-shopping. Tegenwoordig verkopen en kopen we niet alleen onze persoonsgegevens (google, facebook etc.), maar ook andermans leed. Goede doelen doen het vooral goed als er een goed marketingconcept achter zit (ice bucket challenge, Alpes d’HuZes, Glazen Huis etc.). We belonen liever bankiers die niks bijdragen aan de reele economie dan mensen die bij u het vuil komen ophalen. Sterker nog de bankiers doen de maatschappij meer kwaad dan goed en toch denken ze (maar wij ook, wij laten het toe) recht te hebben op meer salaris.

‘De wereld zit in een mad rush: het gaat om steeds meer ongelimiteerde behoeftebevrediging en steeds minder om het verkrijgen van kennis en nieuwe inzichten. Er komt een tijd dat we ons gaan afvragen waar we mee bezig zijn. De een na de andere beschaving kwam op, bloeide, stortte in en verdween. Ondanks al de menselijke vooruitgang kun je je afvragen wat het doel hiervan is. Zijn we er moreel op vooruit gegaan’ (Mohatma Ghandi).

Status en sociale druk spelen een belangrijke rol. Het veroorloven van zoveel mogelijk luxe producten (auto, huis, computer, mobieltjes, vakanties) bepaalt nog steeds grotendeels je status. Mensen denken steeds vaker dat je geluk kunt kopen in artikelen of diensten of leed kan afkopen.

Shop-a-holics, shop till you drop zijn bekende spreuken geworden, momenteel zijn zelfs de shop en beauty-blogs vooral onder jonge vrouwen heel populair, waarbij het vooral gaat om de aanschaf van zoveel mogelijk spullen.

Bij mannen is vaak de status heel belangrijk. Wat voor auto je rijdt bepaalt grotendeels je identiteit. Maar ook het werk wat je doet  en hoe groot je inkomen is, is bepalend voor je imago en zelfbeeld. Als man is het nog best not-done als je vrouw of vriendin een groter inkomen heeft of als jezelf niet de kostwinnaar bent. Bovendien vallen vrouwen niet op mannen die thuis alleen het huishouden doen. Spullen, werk en inkomen beheersen je leven en identiteit. In Nederland werken dan ook de meeste mannen full time en de meeste vrouwen part time. De mogelijkheid om veel producten of diensten te kunnen kopen geeft ook een gevoel van vrijheid en geluk.

Voel je je ongelukkig dan koop je dat ongelukkige gevoel op korte termijn af met producten of diensten tot dat je weer ongelukkig bent en weer nieuwe spullen of diensten nodig hebt. Marketing en reclame advertenties laten mensen ook weten dat ze met hun unieke spullen en diensten beter en gelukkiger worden. Je bent een echt beter mens als je van een bepaald merk een dienst of een goed afneemt (de Apple marketing is specifiek gericht op design en het individu, zeker met I-phone, I-tunes, I-pod reeks). Dat merk voldoet aan een bepaalde status en identiteit. Mannen zweren bij een bepaald biermerk tot dat ze hun biermerk zonder etiket geblindeerd uit een aantal biertjes moeten halen. Dan is het ineens een stuk moeilijker om jouw ‘speciale’ biermerk te herkennen. Biermerken zijn gelieerd aan een bepaalde status, regio en voldoen aan een bepaald imago, terwijl de smaak van een pilsje weinig van elkaar verschilt. Bij een biertest zullen de meeste mensen hun favoriete biermerk niet herkennen. Imago, binding en marketing speelt bij bier (pils) een grote rol. Reclame en marketing is een grotere kostenpost dan investeringen in smaak, kwaliteit en ontwikkeling. Smaak doet er eigenlijk niet zo toe. Het gaat om imago en marketing. Een flesje pils bevat meer marketing dan bier. In de wereld van de reclame en marketing word je voortdurend misleid. Marketing is niks anders dan structurele misleiding van consumenten om maar zoveel mogelijk producten te verkopen. Onze westerse samenleving wordt overstelpt met reclame en imago is steeds belangrijker geworden. Welkom in de imago-economie. De wereld van succes, het grote geld, weinig toegevoegde waarde en de misleiding. Via imago en binding aan merken profileren wij ons en geven we onszelf identiteit. Dure merken staan niet per se voor kwaliteit, maar voor het imago – ik kan dit betalen, dus ik ben succesvol -.

Maar kun je niet in je eigen inkomen voorzien dan sta je aan de zijlijn, economisch doe je niet mee en op de sociale ladder sta je helemaal onderaan de trede. Mensen in de bijstand en langdurige werklozen worden nog door velen gezien als niksnutten. Mensen waar iets mis mee is, paria’s van de maatschappij. Het hebben van werk en de aard van het werk bepaald daarnaast ook grotendeels je status en identiteit, waarbij hard werken in het neoliberale paradigma de norm is. Mocht je volledig mislukt zijn dan heb je blijkbaar niet hard genoeg aan jezelf gewerkt. Hard werken staat daarnaast gelijk aan een ‘goed mens’. Wat dat harde werken nu precies is weet niemand (hoog inkomen hebben, veel uren maken of veel fysieke arbeid leveren). Laat staan dat mensen daar verder over nadenken.

Binnen verschillende samenlevingen treedt een versterkende sociaal-economische stratificatie op. Een verdeling in sociale klassen op basis van sociaal-economische eigenschappen (in westerse samenlevingen vaak ingedeeld in een onderklasse, middenklasse en bovenklasse). Deze klassen groeien steeds meer uit elkaar door toenemende economische ongelijkheid. De middenklasse profiteert nauwelijks van de vooruitgang, de onderklasse groeit in het aantal mensen maar verdient steeds minder en de bovenklasse verdient een steeds groter gedeelte van het nationaal inkomen (1% van de bevolking verdient 20% van het nationale inkomen in de VS). Volgens de OECD (Organisation for Economic Cooperation and Development) denktank leidt groeiende economische ongelijkheid niet tot economische groei, maar juist tot minder economische groei.

Vanaf de jaren ’80 blijkt trickle-down economics (Margareth Thatcher) en Reaganomics (laissez faire aanbod economie) economische groei over een langere periode helemaal niet te bevorderen. Het is veel verstandiger om te investeren in de middle class. Daarmee stimuleer je stabiele economische groei voor een grotere groep mensen in plaats van economische groei van de elite ten koste van de grootste groep mensen.

Het verminderen van economische ongelijkheid zou volgens de OECD over een periode van 25 jaar wel zorgen voor stabiele economische groei. Het voorkomen van economische ongelijkheid zou centraal moeten staan binnen het politieke debat om stabiele groei en welvaart na te streven, aldus de denktank van de OECD.

De occupy-beweging en de ‘wij zijn de 99 procent’ zijn voorbeelden van bewegingen die streven naar meer gelijke inkomensverdelingen, meer democratie en transparantie. Maar ook in de politiek is er aandacht voor de toenemende verschillen in sociaal-economische ongelijkheid. Obama noemt in de State of the Union-rede van 2014 de extreme ongelijkheid als datgene wat de kiezers het meest bezighoudt en het World Economic Forum noemt in het rapport ‘Outlook of the Global Agenda 2014’ de toenemende inkomensverschillen als het tweede grootste wereldwijde risico van de komende tijd.

Het Boek: Le Capital van Thomas Piketty werd in november 2014 uitvoerig in de Tweede Kamer besproken.  Piketty concludeert dat vermogen gemiddeld sneller groeit (4-5%) dan de economie (2%) en dat mensen meer inkomen halen uit vermogen dan uit arbeid. Hierdoor nemen de verschillen in arm (arbeiders) en rijk (vermogende mensen) toe. Voor de wereldoorlogen waren deze verschillen sterk aanwezig. Na de wereldoorlogen namen de verschillen eerst af door kapitaalvernietiging. Vanaf de jaren ’70 namen de verschillen weer toe door opbouw van vermogen uit o.a. de wederopbouw en toename van welvaart. De verdeling van vermogens binnen landen groeit steeds meer uit elkaar. Arbeid levert steeds minder inkomen op in vergelijking met vermogen.

De ontwikkelingen verschillen sterk tussen de continenten VS en Europa. Voor 1900 kende Europa een veel grotere ongelijkheid dan de VS. Terwijl de 10% rijken van de VS nu goed is voor 50% van het totale inkomen. In de begintijd van Amerika was vermogensgelijkheid nog zeer groot. De kolonisten brachten niet veel meer mee dan een paar kisten met bezittingen. Terwijl de inkomensverdeling in Europa door o.a. het feodale stelsel en het begin van de industriële revolutie (kapitalisten vs. arbeiders) enorm was. Daarbij was het gelijkheidsideaal van de founding farthers erg groot.

Het staat zelfs in de grondwet. Na de Tweede Wereldoorlog begon Amerika samen met Europa een steeds ongelijkere verdeling van inkomen te krijgen. Maar pas in de jaren ’80 begon de ongelijkheidstrend echt drastisch toe te nemen, met name op ongelijke loonverschillen. Op zich was dat een trendbreuk met het verleden. Want je kon ‘vroeger’ veel beter inkomen halen uit vermogen dan uit arbeid. Je kon stijgen op de sociale ladder als je een vermogend (adel, aristocratie, koninklijke huize) iemand aan trouwde, arbeid speelde niet echt een grote rol. Inkomen uit arbeid had ook geen status, superinkomens bestonden vroeger ook niet. Rijkdom vergaar je met vermogen.

Momenteel kun je rijk worden door zeer hoge salarissen te cashen (topmanagers, CEO’s, bestuurders, mensen werkzaam in de financiële sector, voetballers, acteurs). Vanaf de jaren ’80 tot en met nu stegen de topsalarissen met 725 procent, terwijl de lage en middeninkomens in dezelfde periode maar met een paar procent stegen. Zo konden de topinkomens vanaf de jaren ’80 vermogen opbouwen door te sparen of te investeren. De lage inkomens konden dit niet (gaven het grootste gedeelte van het inkomen uit aan consumptie). De afgelopen jaar is de discrepantie tussen lage inkomens en hoge inkomens steeds meer toegenomen. Dit leidt tot grote maatschappelijke verontwaardiging. Met name de grote verschillen tussen bestuurders en werknemers leidt tot massale maatschappelijke frustratie.

In de jaren ’80 ontstond een cultuur van super meritocratie. Iedereen wordt beloond voor zijn toegevoegde waarde. Supermanagers worden beloond omdat zij een topprestatie denken te leveren. De CEO van Goldman Sachs voelde zich dan ook bijna een God: ‘I’m doing God’s work’ aldus Lloyd Blankfein. De super meritocratie maakt deel uit van de Amerikaanse droom dat iedereen door hard werken rijk kan worden. Deze droom blijkt volgens Piketty een illusie te zijn.

Ook zijn de belastingtarieven vanaf de jaren ’80 op de hoogste inkomens drastisch omlaag gebracht (in de VS van 90 procent naar 30 procent). Daarnaast bepaalt het management meestal hun eigen salarisniveau en wordt het salaris van werknemers vastgesteld door datzelfde management. De bonussen van topmanagers staan momenteel geregeld ter discussie, terwijl de werknemers fors moeten inleveren of worden ontslagen. Bonussen worden bovendien vaak uitgegeven op basis wat haalbaar is en niet op basis wat rechtvaardig is. De perverse prikkels in de financiële sector is hier een bekend voorbeeld van.

Een andere factor voor groeiende ongelijkheid is dat grote vermogens grotere rendementen halen dan kleine vermogens. Grotere rendementen uit grotere vermogens kun je weer makkelijker herinvesteren om wederom grotere rendementen te halen en meer vermogen op te bouwen. Bovendien kunnen grotere vermogensbeheerders hun vermogens laten beheren door ervaren professionals met meer kennis dan kleine vaak private vermogende mensen. De kosten van deze professionals (vermogensbeheerders) wegen vaak niet op tegen de baten (rendementen). Er vindt dus concentratie van vermogen en inkomen uit vermogen plaats bij een kleine groep grote vermogende mensen. Een laatste factor die volgens Piketty een grote rol speelt is overerving. Wie vermogen overerft uit het verleden heeft meer kans op een sterkere toename van inkomen uit vermogen dan een persoon die zijn inkomen haalt uit arbeid (omdat vermogen harder groeit dan economische groei). Vermogen dat opgebouwd is uit het verleden (overerving) gaat een steeds belangrijke rol spelen in de ongelijke verdeling van inkomens en vermogens (zeker bij een lage bevolkingsgroei wordt het inkomen en vermogen steeds verdeeld over een minder grote groep nakomelingen). Een kleine groep rijke mensen kan nu makkelijker schenkingen en hele huizen doorgeven aan relatief minder nakomelingen (minder deling van kapitaal). Een relatief kleine rijke generatie beschikt dus meteen over kapitaal (kunnen bijna meteen rentenieren en arbeid is voor paupers). Terwijl een grote groep mensen nu bijna gratis arbeid verricht via participatiebanen, vrijwilligerswerk, zogenaamde stageplaatsen, traineeships, werkervaringsplaatsen.

Na de crises in 2008 zijn vele bedrijven failliet gegaan en zijn veel mensen ontslagen. Piketty stelt dan ook voor om een mondiaal progressief belastingstelsel in te voeren op vermogen en een lager belastingtarief op arbeid (al zal de uitwerking hiervan waarschijnlijk niet lukken, door het free-riders effect en de mobiliteit van vermogen).

Meer transparantie over vermogens en vermogensspreiding is nodig om belastingontduiking en belastingparadijzen tegen te gaan. In Nederland zijn de inkomens uit arbeid relatief gelijk verdeeld door een progressief belastingstelsel en relatief veel toeslagen (laag Gini-coefficient van 0,3), de verdeling van vermogens zijn daarentegen zeer ongelijk verdeeld. 10 procent van de Nederlanders heeft 60 procent van het vermogen (hoog Gini-coeficient van 0,8).

Met name de rijkste 2 procent bezit een derde van al het vermogen in Nederland. Het Dutch Wealth Report concludeert dat 1 procent van de bevolking 40 procent van het private vermogen bezit. De helft van Nederland bezit geen nettovermogen en 10 procent van de bevolking bezit een negatief vermogen (schuld).

Het gaat dan vooral om hypotheken die onder water staan en mensen met kortlopende dure kredieten (creditcards). Nederland kende vanaf de 17e eeuw tot aan de 19e eeuw een zeer ongelijke vermogensverdeling (koloniale periode). Na de WO II nivelleerde de vermogensverdeling (nationalisatie kapitaal en vernietiging kapitaal). Na de jaren ’70 groeiden de vermogens sterk uit elkaar door de hypotheekrente aftrek (villasubsidies). Daarnaast gingen veel huishoudens in de jaren 80 maar vooral in de jaren 90 hun overwaarde consumeren in plaats van sparen. Nederland is wel een uitzondering op veel andere landen wat betreft de pensioenregeling: het omslagstelsel (basispensioen) en het kapitaaldekkingsstelsel (aanvullend pensioen werkzame leven) bouwt het vermogen op door premies en stelt het inkomen uit na de pensioengerechtigde leeftijd.  Nederland kent hierdoor een van de grootste pensioenfondsen ter wereld. Een enorme pot van ongeveer 1000 miljard euro uitgesteld inkomen/vermogen. Nederland is vrij uniek wat betreft dit pensioensysteem. Het pensioenstelsel heeft enigszins een nivellerend effect.

Opvallend is dat voorheen bijna alle crises leiden tot nivelleringen en een meer gelijke verdeling van vermogen, behalve de laatste crises van 2008. Dat komt omdat de belastingbetaler bijna alle banken gered hebben (op een paar uitzondering na zoals de DSB bank). Nu bleven bijna alle grote spaarvermogens (boven de 100.000 euro) gespaard door het het depositogarantiestelsel.

Wereldwijd kunnen een toenemend aantal  mensen  niet of nauwelijks rondkomen of deelnemen aan de maatschappij. Terwijl de ‘1%’ maximaal profiteert of nauwelijks inteert. De crisis van 2008 heeft deze verschillen wereldwijd alleen maar versterkt en steeds meer mensen, organisaties en bedrijven wensen niet meer aan zo’n maatschappij en economie deel te nemen.

Naast sociale-economische verdringing aan de vraagkant (consumenten) heb je ook economische verdringing aan de aanbodkant. Kleine bedrijven verdwijnen uit de samenleving en grote gefuseerde multinationals vertrekken naar de lage lonen landen waarbij gestreefd wordt naar maximale kostenreductie en massaproductie. Kleine bedrijven die niet mee kunnen in de ratrace gaan failliet of worden overgenomen (sterven uit) omdat ze niet mee kunnen doen met deze kosten minimalisatie. Bovendien krijgen kleine ondernemers minder makkelijk een lening van banken dan grote multinationals. Leningen tot 250.000 euro zijn voor banken risicovol en leveren banken te weinig rendement op. Ook hebben multinationals en grote bedrijven meer onderpand en lopen ze minder risico (risicospreiding) waardoor ze minder rente hoeven te betalen en hogere winsten overhouden. Winstmaximalisatie door kostenreductie, lagere rentes en schaalvergroting (massaproductie) van de productie is de heilige graal. Wie zich niet kan aanpassen gaat failliet.

De kruidenier, de slager, de buurtsuper is veelal uit het straatbeeld verdwenen en vervangen door de grote winkelketens als Albert Heijn, Jumbo of C1000. In de stadscentra maar ook daarbuiten wordt het beeld gedomineerd door grote winkelketens op de A-locaties. In elke grote stad zijn er meerdere McDonald restaurants te vinden. Het proces van globalisering en de overweldigende macht van grote winkelketens wordt daarom ook wel McDonaldisering genoemd. Het verwijst naar het standaardiseren van productie en distributieprocessen en het rationaliseren van samenlevingen. In de agrarische industrie blijven bedrijven alleen rendabel bij de productie van grote hoeveelheden kippen, varkens en runderen op een steeds kleinere oppervlakte. De megastallen en de kiloknallers zijn hier een goed voorbeeld van.

Waar vroeger het straatbeeld gedomineerd werd door het MKB, kleinere bedrijven, is er momenteel een grote mate van corporatisering, globalisering, digitalisering (online marketing) en multinationalisering gaande.

Kleine bedrijven worden verstoten of opgekocht door grote multinationals en durfkapitalisten. De detailhandel wordt gedomineerd door grote winkelketens en grootschalige multinationals en fysieke winkels maken plaats voor online webwinkels die de marketing doen via het verkrijgen online privacy gegevens van miljarden individuele internetgebruikers (IP-adressen, cookies, verzamelen gegevens door google, facebook, twitter etc.).

Ook de Amerikaanse geheime diensten maken gebruik van de privacy gegevens (PRISM, Tempora) van burgers wereldwijd om mogelijke terroristische aanslagen te voorkomen. Onlangs onthulde Edward Snowden dat google en facebook privacy gegevens verkoopt aan de NSA en dat de NSA privacy gegevens verkoopt aan bedrijven voor marketing doeleinden via de tracking technologie.
De verruiming van de patriotact na de 9/11 aanslagen via de ‘program’ maakte vergaande controle op privacy gegevens van burgers mogelijk.

Bedrijven betalen miljarden voor zoekgegevens en voorkeuren van individuele internetgebruikers. Momenteel word je zonder adblocker dood gegooid met online advertenties, of mogelijke producten en diensten die je wellicht ook kunt kopen. ICT’ers bouwen via algoritmes een hele productgroep op basis van je persoonlijke voorkeuren. Momenteel moet je nog steeds op bijna elke site cookies accepteren. Met deze cookies kunnen overheden, inlichtingendiensten (NSA) en bedrijven individuele burgers en huishoudens controleren en gegevens verzamelen over koopvoorkeuren en daar strategisch specifieke marketing op los laten. ICT, facebook, google, de inlichtingendiensten kunnen met BIG DATA nu zo goed als alles te weten komen over burgers. De privacy belangen van burgers is vergaand in diskrediet gebracht.

De westerse economie wordt  gedomineerd door marketingbedrijven, financiële instellingen (frontoffice), multinationale corporaties en de dienstverlenende sector

Daarnaast is de maakindustrie (kledingindustrie, elektronica, plastics, auto-industrie etc. ) grotendeels vertrokken naar de lage lonen landen (vanaf de jaren ’70) of vervangen door robots (vanaf de jaren ’80).

In de komende 40 jaar zal het meeste werk verdwenen zijn door automatisering en robots. Nu zie je al dat de menselijke postsorteerder vervanger wordt door de geautomatiseerde postmachine. In de toekomst zal dat in bijna alle sectoren voorkomen. Het tweede machinetijdperk zal een andere kijk op werk en andere invulling van banen nodig hebben. Mensen zullen werk gaan doen waar meer empathie en invoelingsvermogen voor nodig is. Al zal zelfs dat werk in de toekomst vervangen kunnen worden door robots. Aan de ene kant zullen mensen nieuwe banen uitvinden, aan de andere kant zullen veel oude banen de concurrentie van robots verliezen. Bedrijven zullen in ieder geval steeds meer gebruik gaan maken van robots. Robots zijn goedkoop, zeuren niet, gaan langer mee en maken minder fouten. In Europa en de VS zullen we de concurrentie aan kunnen gaan met arbeidsintensieve landen (China) door robotisering en automatisering.

Japan is de absolute koploper van de robot technologie. Japan heeft een hele andere cultuur ten opzichte van robots. Robots worden gezien als een soort medemens en knuffeldier. Binnen Japan is er ook geen angst voor robots zoals die in andere westerse landen wel is voor het verlies van banen en het overnemen van de wereld (matrix, terminator etc.). Japan is ook een van de meest vergrijsde samenlevingen ter wereld. Robots zullen mensen ook moeten vervangen omdat er te weinig jongere werknemers zijn. In Japan wordt volop geëxperimenteerd met menselijke zorgrobots, menselijke emoties en robots die menselijk gedrag zelf aanleren.

http://www.npo.nl/vpro-tegenlicht/22-03-2015/VPWON_1232880

Wel zie je een kleine opleving van bedrijven die terugkomen uit o.a. China (resourcing) en in Nederland vaak een Leantech industrie opzetten (zoveel mogelijk besparen op kosten en inzet van zoveel mogelijk robots en digitalisering).

Grootschalig productie werk kon goedkoop ingezet worden door landen met lage lonen. Hierdoor verdween eenvoudig handwerk (ambachten), maar ook de textiel- (Twente) en auto-industrie (productie) grotendeels uit Nederland en veel westerse landen naar de Aziatische landen, BRIC-landen en de Oost-Europese landen. In Nederland zelf wordt laagbetaald werk ook vaak gedaan door (tijdelijke) immigranten of mensen uit een ander land van herkomst (allochtonen). Vooral in de tuinbouw, logistiek (distributie) en bouw vindt er veel verdringing van arbeid plaats door werknemers uit vooral Oost-Europese landen.

Er is dus sprake van zowel economische als sociale verdringing van bepaalde groepen, bewoners, bedrijven en organisaties op het gebied van status en materialisme (massaconsumptie) aan de consumentenkant en schaalvergroting en kostenreductie aan de producentenkant. Alleen de kleine bedrijven die niet concurreren op kwantiteit, schaalvergroting en prijs blijven over. Deze bedrijven ontlopen de concurrentie door te streven naar kwaliteit. Ze bieden een ander product of dienst aan die uniek is waar niet tegen te concurreren valt op prijs.

Momenteel proberen de corporate partijen in de  VS en Europa de massaconsumptie en massaproductie verder te stimuleren via de Transatlantic Trade and Investment partnership: de TTIP. Het komt neer op minder regulering, meer vrije markt, minder democratie, minder transparantie, minder macht naar de burgers en meer macht naar de grote multinationals. Wederom staat winst centraal en derft het burgerbelang het onderspit.

De vraag die ik stel in deze uiteenzetting is of het maatschappelijk verantwoord is om mee te gaan in de concurrentie op kwantiteit. En is de hang naar kwantitatieve groei en materialisme niet alleen van nu maar van alle tijden en wat is het mondiale effect van deze ideologie van marktfundamentalisme op niet-westerse culturen?

Kwantiteit versus kwaliteit

Om deze vraag te beantwoorden moeten we weten wat ‘de economie’ en wat de betekenis van ‘de maatschappij’ is, maar ook waarom we in eerste instantie een economie en een samenleving hebben. Wat is het nut van een economie, waarom heeft de maatschappij een economie nodig en waarom moet een bedrijf, samenleving of economie in zijn geheel per se groeien? Wat is groei en is groei een noodzakelijke basisvoorwaarde voor geluk, welvaart en welzijn of heeft groei ook aantoonbare nadelen? Zou het misschien verstandig zijn om niet deel te nemen aan kwantitatieve groei van de economie, grootschaligheid en de continue groei van bedrijven door fusies en overnames.

Welke richting willen we op met de economie? Moet de economie vooral kwantitatief groeien of kunnen we ook streven naar kwalitatieve waarden als zekerheid, duurzaamheid, vrije tijd, keuzevrijheid, groene initiatieven, kennisvermeerdering, maatschappelijke waarden en betrokkenheid?

Zien we na 35 jaar neoliberaal beleid en 35 jaar neoliberaal denken, waarbij een economie van steeds meer en steeds sneller centraal staat een kanteling? Of gaan we na een kleine opleving van de economie na de crisis van 2008 door op hetzelfde pad van meer, sneller en een sterke focus op kwantitatieve groei? In 2015 zien we in Nederland kleine speldenprikken binnen het neoliberale paradigma.

Afbeeldingsresultaat voor maagdenhuis

http://fd.nl/economie-politiek/1145749/kapitalisme-heeft-zijn-langste-tijd-gehad

Er komen steeds meer groepen, activisten, economen, bewegingen, studenten, docenten die zeggen dat een economie gebaseerd op rendementsdenken, kwantiteiten en oneindige groei niet langer meer houdbaar is. Het mensbeeld in de economie kantelt. Het zijn bewegingen die niet langer een amoreel karakter op de economie tolereren. Ze wensen aan een mensen economie deel te nemen en niet in een alleen kwantificeerbaar modelmatige economie waarin alleen cijfers en financiële groei tellen. Economie is veel meer dan alleen cijfers, modellen en financieel rendement. Economie gaat over de samenleving als geheel en is bij uitstek een mensenwereld gebaseerd op emoties, onderlinge relaties, machtsstructuren, creativiteit en menselijk handelen. De economie is er voor de mens, de mens is er niet voor de economie. De economie kun je niet alleen over laten aan modellen, cijfers, robots, machines. Machines en robots hebben slechts het doel om de mens te assisteren, waardoor er meer economie en maatschappij overblijft voor menselijke handelingen (zorg, vrije tijd, ontspanning, genieten, literatuur, debat, sport, entertainment, nieuwe dingen ontdekken, wetenschap, ontplooiing, creativiteit, ruimtevaart etc.).

Momenteel zijn de knapste koppen niet meer werkzaam in de sectoren waar echt nieuwe baanbrekende ontdekkingen worden gedaan. Maar worden de slimste wiskundige ‘kids’ ingezet in de financiële sector om  ICT (algoritmes) te ontwikkelen om een net iets grotere voorsprong te hebben op andere flitshandelaren (high frequency trading). Deze hoogbegaafde wiskundigen verdienen veel meer geld in de financiële sector. Het levert de maatschappij vooral een hoop ellende op. Terwijl deze knappe koppen ook iets moois hadden kunnen bijdragen aan de samenleving op het gebied van nanotechnologie en artificial intelligence of kunnen bijdragen aan kankeronderzoek. De economie vertelt dat deze knappe koppen meer kunnen verdienen in de financiële sector. Dus is het logisch dat ze werken in de financiële sector. Het is een economie zonder moraal. Juist tegen deze amorele opvatting over de economie komen mensen in opstand. De economie gaat nl. wel degelijk over moraal, ethiek, goed en kwaad. Waarom belonen we bijvoorbeeld mensen die bewust de maatschappij kapot maken met financiële wanproducten met torenhoge bonussen en zien we aan de andere kant steeds meer mensen die het vuile werk opknappen terecht komen in onbetaalde participatiebanen, vrijwilligerswerk, eeuwige stagebanen? Waarom accepteren we dat nog als maatschappij? Waarom belonen we niet wat goed is en bestraffen we niet wat slecht is? Laten wij ons nog steeds alleen maar leiden door winstmaximalisatie en economisch gewin? Of prikken we daar nu eens een keer doorheen.

Met de occupy bewegingen zagen we de eerste tekenen van verzet. In 2015 zien we de opstanden in het maagdenhuis waarbij zowel docenten als studenten zich verzetten tegen een bestuur dat denkt in rendementen, er zijn nieuwe economische bewegingen gekomen zoals rethinking economics, we zien kantelaars op het gebied van energietransitie, bottom up bewegingen in de zorg, onderwijs (Jan Rotman), er komen steeds meer coöperaties van onderaf die nauwelijks meer een managementlaag nodig hebben. We pikken het gedrag van bankiersbonussen, misstanden met zelf verrijkende bestuurders van woningcoöperaties, grote logge onderwijsinstellingen niet meer. Joris Luyendijk beschrijft de amorele bankenwereld in de city. We hebben de banken genationaliseerd. De maatschappij is in 2014 en 2015 enigszins wakker geworden uit de diepe neoliberale slaap. We accepteren de gedachte dat de economie en de markt het allemaal wel even oplost niet meer. De vraag is of we er ook naar handelen. De VVD is bijvoorbeeld nog steeds de grootste partij en als het om het individuele handelen gaat kijken we snel naar anderen, maar het laatste naar onszelf. Maximalisatie van het eigenbelang staat nog steeds voorop. Dat is ook niet zo raar als we onze kinderen opvoeden met het idee dat hun individuele belang het allerbelangrijkste is op de wereld. Zolang wij kinderen op de achterbank van de auto opvoeden tot ultieme prinsjes en prinsesjes zal het beeld van zelfverrijking, narcisme, egocentrisme niet veranderen. Een cultuur verander je niet zo snel. Zeker niet als je een kind jarenlang hebt opgevoed met het idee dat hij het belangrijkste is van de wereld. Waar vroeger God en de religie de kern van je levensbestaan was is dat nu je kind. Het is dus ook niet zo verwonderlijk dat er een hele achterbank generatie is ontstaan. Secularisering heeft daar flink aan bijgedragen. Wat ook geleid heeft tot een amorele hedonistische cultuur.

http://www.duurzaamnieuws.nl/het-mensbeeld-in-de-economie-kantelt/#comment-12029

Centraal versus decentraal

In het boek de derde industriële revolutie beschrijft Jeremy Rifkin de overgang van de tweede industriële revolutie (het fossiele industriële tijdperk) naar de derde industriële revolutie (tijdperk van communicatie en decentrale energie en economie). De tweede industriële revolutie is heel erg gebaseerd op grote centrale industrieën (kolen, olie, auto-industrie, staal, beton, infrastructuur etc.) die geheel top down en hiërarchisch opgebouwd zijn. Winstmaximalisatie, concurrentie en het vernietigen van de tegenpartij ten koste mens, milieu en maatschappij voor winst was het uitgangspunt. Jeremy Rifkin schetst een andere wereld: De derde industriële revolutie die gebaseerd is op communicatie, solidariteit, co-operatie, delen en duurzaamheid. Deze revolutie is niet langer meer hiërarchisch en top down georganiseerd. Deze revolutie is met name decentraal en richt zich op het delen van energie en informatie. Internet en de nieuwe communicatiemiddelen laten dat nu al zien. Maar ook de deeleconomie waar het niet meer gaat om bezit maar om gebruik. Massaproductie zal langzamerhand verschuiven naar dienstverlening. Het afzetten van zoveel mogelijk stroom door grote energieleveranciers zal verschuiven naar het adviseren van de klant over energiebesparende middelen.

Momenteel staan we nog aan het begin van deze kanteling. Fossiele industrieën boeken steeds vaker grote omzetverliezen en gaan steeds meer mee met de klant. Makkelijk winbare fossiele reserves zijn op. De kosten van de productie nemen toe en de hernieuwbare alternatieven worden steeds goedkoper. Aan de andere kant lobbyen de nog steeds machtige grote fossiele reuzen nog steeds om zoveel mogelijk uitstel naar het nieuwe duurzame paradigma. Er staat ook veel op het spel. Het verliezen van de centrale macht aan burgers die zelf prosument worden en zich op decentrale schaal steeds beter kunnen organiseren. De uiteindelijke overgang zal ergens in het midden liggen. Samenwerking tussen zowel decentrale partijen die aansluiting kunnen krijgen op een semi centraal net door middel van smart grids die gereguleerd en gecontroleerd worden door grotere energieleveranciers en energie dienstverleners (beheerders als Tennet en Enexis of Alliander). Decentrale systemen waarbij elke woning of kantoor een eigen mini energiecentrale heeft is nu al haalbaar, maar om vraag en aanbod op elkaar aan te laten sluiten is wel een smartgrid systeem nodig dat aan de ene kant gebaseerd is op de nieuwste communicatie technologie en aan de andere kant een solide werkend netwerk kent. Een smartgrid moet ook werken als het in de regio niet waait of zonnig is. Dat betekent dat er of voldoende opslagcapaciteit aanwezig moet zijn of dat het net aangesloten moet zijn op een regionaal of landelijk net met voldoende basislast (baseload). Energiepolitiek zal op schaalniveau zich niet alleen beperken tot de natiestaat (zoals in de tweede revolutie), maar zich eerder richten op een continentale en regionale schaal. Daarbij moeten we niet vergeten dat energie en economie politiek een spel is van macht. Macht over de bestaansmiddelen van mensen. Zonder energie ben je in dit tijdperk nergens. Zonder energie geen economie. Macht betekent dat partijen die de macht hebben zullen verzetten tegen partijen die de nieuwe macht gaan opeisen. Ligt de macht bij het continent (zoals de EU met een hernieuwbare energiepolitiek) of bij de regio/lokatie (energiecoöperaties). Of traditioneel bij het land zelf. Na de crisis van 2008 hebben we gezien dat mondiale trends niet alleen kansen, maar ook bedreigingen zijn voor de wereldeconomie. Er ontstaat een trend om eerst een solide basis op te bouwen binnen je eigen continent. Ook de angst voor Rusland heeft daar een grote rol gespeeld. Het afhaken van het Southstream programma (2e gasverbinding tussen Europa en Rusland) is daar een voorbeeld van. Momenteel zie je veel polarisatie tussen voor en tegenstanders van de EU. Dat brengt ons de vraag in welke mate je iets kan continentalisering of in welke mate je de macht bij de laagst mogelijke identiteit moet behouden: subsidiariteitsbeginsel.

De geschiedenis van de economie, de samenleving en groei van de economie.

De reële economie houdt zich bezig met de productie, consumptie en distributie van schaarse goederen en diensten en hoe de mens met schaarse middelen handelt om zijn behoeften te bevredigen. Volgens deze definitie van de reële economie is de mens dus nog helemaal niet bezig met groei, maar met het bevredigen van behoeften en niet bezig met het bevredigen van steeds ‘meer’ behoeften. Het bevredigen van behoeften gaat gepaard met tevredenheid. Als de mens tevreden is zijn de meeste behoeften bevredigd. Groei heeft dus vooral te maken met een toenemende ontevredenheid over de bevrediging van de behoeften. Waren we in de prehistorie al bezig met het bevredigen van steeds ‘meer’ behoeften en is het bevredigen van steeds ‘meer’ behoeften van alle tijden en wat voor invloed heeft dat op de totstandkoming van de economie, politiek, religie en de samenleving? Zijn wij als samenleving voortdurend ontevreden? Of wordt de ontevredenheid gevoed van invloeden van buiten af zoals de politiek, een specifieke cultuur, een paradigma, de economie, marketingbureaus of grote multinationals?

Om inzicht te krijgen hoe dat nu precies werkt geef ik een beschrijving van de verschillende tijdperken die vooral onze westerse hedendaagse cultuur beïnvloedt hebben. Onze denkbeelden over politiek, literatuur, vrije tijd, vrijheid, economie, handel, invulling en organisatie van de samenleving, groei, macht, het mensbeeld en godsdienst zijn ontstaan in die verschillende periodes. De geschiedenis waaruit wij onze ‘westerse’ waarden ontlenen kent een bepaalde ontwikkeling. Waarbij individualisme (zelfontwikkeling) en vrije meningsuiting bijvoorbeeld belangrijke waarden zijn in de westerse wereld en eer, goede naam en  het behagen van de groep belangrijke waarden zijn voor niet-westerse samenlevingen (met name in orthodoxe islamitische, maar ook andere orthodoxe religieuze samenlevingen).

Hoe bepalen deze waarden onze economie en waarom zijn de westerse waarden vooral gericht op economische groei, efficiency en rendementsdenken? Economie is daarbij vooral een sociale studie: hoe gaan mensen om met schaarse goederen en transacties. Maar is economie niet ook vooral een geloof? Een geloof gebaseerd op vertrouwen in een munt als ruilmiddel. Het geloof in geldcreatie, het geloof in oneindige schulden, het geloof in de financiële sector. Het geloof dat mensen in staat zijn om schulden terug te betalen. Het geloof in economische groei als oplossing van alles. Het geloof in de heilzame werking van de groeiende markt die alle problemen wereldwijd oplost.

http://www.groene.nl/artikel/en-dus-moeten-de-lonen-omlaag

https://www.groene.nl/artikel/en-dus-moeten-we-bezuinigen

http://www.groene.nl/artikel/de-crisis-is-toch-voorbij

Binnen de neoliberale ideologie is meer groei het mantra en de oplossing voor alles. Meer economie heeft zijn wetenschappelijke waarde verloren en is binnen het neoliberale paradigma door bijna alle partijen gekaapt als rucksichtlos goed. We moeten altijd streven naar economische groei. Meer economie en meer groei is een neoliberaal dogma geworden en economen bestuderen dit dogma. Economie is een religie geworden en economen zijn de theologen van deze studie.

https://decorrespondent.nl/2769/Deze-data-laten-zien-hoe-de-econoom-de-machtigste-wetenschapper-werd/359169390723-14db4479

In deze uiteenzetting gebruik ik weinig directe wetenschappelijke bronnen. De meeste informatie heb ik gehaald uit populaire niet-wetenschappelijke bronnen. Ik vertegenwoordig niet de meest waarschijnlijke theorie. Niet alles zal exact de waarheid zijn. Ik probeer slechts een beschrijving te geven van het ontstaan van de westerse wereld en Nederland in het bijzonder. Wel vraag ik mij af of de situatie waarin we nu leven nog houdbaar is? Willen wij op economische gronden nu echt zoveel groeien en streven naar zoveel mogelijk materiële welvaart, wie profiteert van deze welvaart en wat zijn de effecten op niet-westerse maatschappijen van deze toenemende welvaart. Schuiven wij de negatieve effecten af op de minder welvarende landen of de toekomstige generaties? Of willen we een samenleving gebaseerd op gemeenschappelijk welzijn en geluk die we ook op dezelfde manier kunnen doorgeven aan onze kinderen en kleinkinderen en de minder welvarende generaties? En kan dat wel tegelijk? Om die vraag te beantwoorden wil ik graag met u de wereld geschiedenis doorlopen vanuit een westerse invalshoek, maar ook vanuit een niet neoliberale invalshoek, met andere ideeën en mogelijke alternatieven.

Advertenties

2 thoughts on “Het tijdperk van ongeremde groei”

  1. Ik vind dat je mooi en duidelijk schrijft. Ik ben het zeker met je eens. Ik hoop dat meer mensen dit lezen. Het is interessant en zeker leerzaam. Nu alleen nog mensen die ernaar gaan handelen. Veel mensen hebben geen idee hoe vaak we weer in dezelfde valkuilen trappen doordat ze de geschiedenis niet kennen. Nu nog mensen die dit lezen, het begrijpen en ernaar gaan handelen. Hoe spoor je de mensen aan?

    Good busy!

    Groeten,
    GJ

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s