Monotheïstische religies: geopolitieke, economische of religieuze doelen?

De Abrahamitische religies domineren het wereldnieuws, het strijdtoneel en het wereldbeeld van miljarden mensen. In de boeddhistische filosofie/religie en het Hindoeïsme (klassen en seksueel misbruik van vrouwen) komen ook misstanden voor, maar er is geen grote wereldwijde strijd gaande tussen polytheïstische religies. De factor geweld en met name politiek militair geweld lijkt grotendeels uitgebannen te zijn in polytheïstische religies, terwijl de monotheïstische religies direct verbonden zijn met geopolitieke machtsposities, economisch gewin, oorlog en geweld. Heb je geweld en religie nodig om een groot Rijk te stichten of kun je ook zonder geweld en religie een welvarende natie opbouwen? Karen Armstrong beschrijft de relatie tussen religie en geweld. Het onderstaande geeft een soort samenvatting weer van het boek: In naam van God, religie en geweld. Hoe verhoudt religie, geweld en economie ten opzichte van grote machten (politiek) van elkaar. Is geweld vooral religieus bepaald of zijn het juist geopolitiek economische factoren die aanzetten tot geweld en militaire strijd?

Bij de drie grote monotheïstische religies zie je deze strijd heel goed. Het jodendom, christendom en de islam lijken voortdurend met elkaar in strijd te zijn. Niet alleen met elkaar maar ook intern is er veel strijd. Verschillen deze religies zoveel van elkaar om de strijd met elkaar aan te gaan? Alle drie religies hebben dezelfde aartsvader (Abraham) en een vergelijkbare monotheïstische god. Dus waarom strijden ze dan tegen elkaar en onderling? Moeten we de oorzaken van deze strijd wellicht meer buiten de religieuze opvattingen zoeken of is religie meer een instrument om geweld goed te praten en aan te wakkeren? Is religie en de claim op de absolute waarheid een intrinsieke drager voor haat of een instrument voor de elite om de massa te bewegen of zoet te houden (opium voor het volk)?

Elites, overschotten, agrarische samenlevingen, het schrift en religies

Heeft het monotheïsme een monopolie op geweld, zou er zonder religie geen strijd plaats vinden en zijn polytheïstische stromingen vredelievender? Persoonlijk denk ik dat religie vooral een instrument is van de elite. In de jagers verzamelaars cultuur had je nauwelijks geschreven bronnen waardoor religie niet vastgelegd werd of uitgedragen kon worden. In homogene tribale stammen had iedere stam onderling wel opvattingen over het hiernamaals en ideeën over goden. Spiritualiteit was wel aanwezig, maar de middelen om het vast te leggen en een elite waren er niet, omdat iedereen zorg moest dragen voor de stam. Iedereen was afhankelijk van elkaar. Pas toen men in staat was om overschotten te creëren, specialiseren in bepaalde vaardigheden en dingen kon vastleggen in schrift ontstond er een hiërarchische heterogene structuur waarin religie vastgelegd kon worden.

De elite gebruikte religie om afstand te nemen van het arbeidersvolk om de overschotten toe te eigenen zonder zelf hard hoeven te werken. Er ontstonden klassen. De elite was de heersende klasse die kon lezen schrijven, invloed had op de wetgeving en het militaire apparaat aanstuurde. Op basis van religie (de wil van god, zo staat geschreven) representeren en domineren zij deze machtspositie. De massa aanvaarde deze wetten op basis van religieuze overtuiging. De koning, heerser stond direct in contact met god. Het is dan ook niet zo vreemd dat het marxisme religie als een grote determinant zag voor ongelijkheid en deze klassenstrijd. Met religie hou je de massa, het volk onwetend. Binnen de islam gelooft men sterk in de predestinatie: het leven ligt al vast, Allah heeft alles al voor je uitgestippeld. Het leven in het hiernamaals is belangrijker dan het leven op deze aardkloot. Het geloof in predestinatie heeft een doel: werk hier op aarde zo hard en zo vroom mogelijk (voor de elite, god) en het zal goed met je gaan in het hiernamaals. Werk nu voor jouw heerser, jouw koning en je wordt er later voor beloond. In de werkelijkheid ben je vooral onderdanig aan jouw overheerser nu.

Kosmische religievorming: Soemerische en Oude Egyptische cultuur.

De Soemerische culturen (4000-3000 v. Chr.) konden door een vroege overstap naar een landbouwcultuur (Mesopotamië, Zuid Irak) voor het eerst wetten en regels in het schrift vastleggen. Door het vastleggen van schrift en specialisatie van vaardigheden ontstond er een kosmische religievorming. Met natuurkunde, astronomie (en astrologie) kon de elite bepaalde wetmatigheden vastleggen die een zekere voorspelling deed over oogstopbrengsten, opkomst zon, seizoenen, regen etc. Uit de kosmos kon de elite een bepaalde natuurkundige ordening halen. Het heelal was geordend ingericht door de goden. In bijna alle religies speelt de kosmos een belangrijke rol.

In het oude Egyptische rijk, de Azteken, Inca’s speelt de zon een centrale rol binnen de religieuze opvattingen. Later veranderde het Egyptische rijk van het polytheïsme naar een meer monotheïstische stroming. Amenhotep IV schafte alle goden af, behalve de zonnegod Aton (de herrezen Amenhotep III). De Egyptische mythen kunnen ook de voorlopers zijn van de drie grote monotheïstische stromingen. Het scheppingsverhaal van de zonnegod Ra komt overeen met het christelijke scheppingsverhaal. De mythische figuren Osiris, Iris en Horus komen overeen met de belangrijkste figuren uit het nieuwe Testament: God, Maria en Jezus.

Agressiviteit versus pacifistische opvattingen

Binnen vele religieuze stromingen lopen zeer gewelddadige mythes, verhalen, oorlogen parallel met vredelievende opvattingen en de loyaliteit aan een god. Die god is op zijn minst paradoxaal te noemen. Vrees de toorn van god als je hem niet liefhebt. Dat heeft uiteraard alles te doen met het elitaire bestuur van de machthebbers. Uitzondering zijn het Hindoeïsme en later het boeddhisme, waarin een duidelijke ommekeer plaats heeft gevonden van een plunderende Arische agressieve Hindoe cultuur in de Indus naar een vredelievende pacifistische cultuur zonder geweld. Het woord yoga stond eerst voor het optuigen van de strijdwagens (Arische cultuur, ritueel). Nu staat het voor bezinning, meditatie, afstand doen van het materiële, in het reine komen met jezelf en je medeschepsels. Toch opmerkelijk dat een cultuur/religie zo’n drastische omslag maakt van plunderende vleesetende rovers naar vredelievende bezinnende opvattingen waarbij elk object een levende ziel krijgt waar je voorzichtig en respectvol mee moet omgaan. In onze eigen neoliberale cultuur zie je wel dat veel mensen behoefte hebben aan zingeving, meditatie naast de snelle wereld van het ik waarbij het draait om zoveel mogelijk geld verdienen ten koste van anderen (concurrentie). De yoga cursussen schieten dan ook als paddenstoelen uit de grond.

Mohatma Ghandi werd in 1948 vermoord nadat hij vanuit zijn Hindoestaanse opvatting geweldloze revolutie preekte tegen het (neo)koloniale Britse rijk (boycot Britse goederen, zoutbelasting) en tegen het geweld tussen moslims en hindoes was. Ironisch gezien werd Ghandi vermoord door een extremistische Hindoe.

Hebzucht en religie: elitair versus egalitair

Hebzucht en overdaad is religieus ook een paradoxaal verschijnsel. Aan de ene kant streven religieuze stromingen naar minder hebzucht en overdaad. Want hebzucht en overdaad leiden tot hongersnood en uitputting van de samenleving. Aan de andere kant streven elites naar hebzucht en overdaad (overschotten) omdat overschotten religieuze elites bestaansrecht geven. Anders hadden de elites geleefd in homogene samenlevingen waarin ze zelf ook arbeid en productie moesten leveren. Elitaire religieuze stromingen bestaan op basis van overdaad en overschotten. In die context is het niet zo verwonderlijk dat religieuze stromingen elkaar bevechten op geopolitieke en economische middelen. Extra veroveringen geven extra middelen en dus bestaansrecht. Religie is dan niet alleen het instrument (uit naam van god bestrijden we de ongelovigen of andere goden). Maar omgekeerd zijn economische en geopolitieke factoren ook de middelen die leiden tot religieus bestaansrecht.

Goed en kwaad: uitersten of nuances.

Religie is ook altijd verbonden met uitersten: het goed en het kwaad. Het goed wordt verbonden met onze eigen cultuur en het kwaad representeert de vijandige cultuur. De strijd tussen goed en kwaad is een populair thema in grote kaskrakers zoals Star wars (kosmische force), Indiana Jones, James Bond (geopolitiek), Lord of the Rings, Harry Potter etc. Mensen willen graag bij het goede horen. Een simplificatie van de werkelijkheid spreekt dan heel erg aan in een wereld die heel erg complex is. Religieuze stromingen dragen bij aan die simplificatie van de werkelijkheid. Kom bij onze club: wij prediken alleen maar het goede, de overige clubs zijn het kwaad. Wees vruchtbaar plant u zo veel mogelijk voort want dat maakt ons rijk en sterk. Dat is de reden dat religies ook aanzetten tot veel nageslacht. Het is de goddelijke opdracht om voor veel nageslacht te zorgen. Veel nageslacht betekent rijkdom. Evolutionair is het ook nog eens het enige biologische doel dat wij nastreven: onszelf (DNA) zoveel mogelijk kopiëren. De foutjes in die kopieën zorgen voor aanpassingen en evolutie, al rept de ‘kerk’ daar minder over, want de creatie is natuurlijk wel een goddelijk proces en een niet op zichzelf staand natuurlijk proces. God gaat via de mens (koning, paus) over goed en kwaad, niet de natuur.

In de monotheïstische stromingen zie je dat de paradox tussen goed en kwaad veel sterker is dan in bijvoorbeeld de Hindoeïstische, boeddhistische of Chinees religieuze stromingen. Niet dat daar geen kwaad in voor komt of dat geweld volledig wordt afgewezen. Maar er is een veel genuanceerder beeld over wat goed en kwaad is en wat het effect van geweld oplevert. Je ziet dat terug in de Hindoestaanse Bhagavad Gita epos en de Mahabharata stroming: er zijn geen eenduidige antwoorden op oorlog en vrede. In hoeverre heb je geweld nodig om tot een vreedzame samenleving te komen? Zowel de Chinese (Li rituelen) als Indus cultuur kent een transformatie van agressieve oorlog minnende stammen, prinsdommen (Arische cultuur) naar een meer tolerante, vredelievende, geweldloze, bezinnende cultuur van matiging en zelfbeheersing. Tot 1911 domineerde in China de Confuciaanse leer die de tegenhanger was van de hebzuchtige hoogmoedige machtige families. Kong Qiu (Kongfuzi) stond in het westen bekend als Confucius. Hij streefde naar de traditionele gelijkheidsbeginselen van de Shun en Yao dynastie. Waar men zich afkeerde van systematisch geweld van het agrarische China. Humane cultiverende waarden werden belangrijker dan geweld, strijd en krijgskunst. De Confuciaanse regel: ‘behandel een ander nooit op een manier waarop jezelf niet behandeld wil worden’. is de kern van de boodschap van Confucius. Vergelijkbare leefregels vind je terug in uitspraken die Ghandi en Jezus doen. Afstand doen van privaat gewin, openstaan voor anderen, welwillendheid, verplaatsen in een ander perspectief leid tot vrede en vreedzaamheid. Ook het Taoïsme benadrukt de zachtheid en soepelheid in tegenstelling tot de ‘mannelijke’ hardheid van geweld en actief ingrijpen in het staatsbestel wat leidt tot geweld en oorlog. Als je niet wedijvert met een persoon is het wedijveren ook niet mogelijk. Dat staat haaks op de materialistische ideologie waarbij economisch gewin, de agrarische sector en militarisme de basis vormt voor een imperium (het legalisme). Een rijk van strenge straffen en slaafse onderdrukking om tot zoveel mogelijk materiaal en grondstoffen te komen om de macht van de heerser te vergroten. Eer was alleen te behalen op het slagveld en werd beloond met slaven en land (aldus de Qin-dynastie en het eerste Chinese Keizerrijk). De opvolgende Han-dynastie vertegenwoordigde een mix (synthese) van het legalisme en het Taoïsme: behoud van het Keizerrijk (dwang, wapens en orde) met Confuciaanse elementen. De Chinese geschiedenis kent een paradoxale geschiedenis van geweld, macht, militarisme en veroveringen aan de ene kant, met de zachtheid, inactiviteit van het Taoïsme en de Confuciaanse ideologie aan de andere kant. Het confuciaanse en het Taoïsme had niet de kracht en dwang om die ideologie op te leggen aan een heel volk en een uitbreiden rijk te voorzien van grondstoffen.

Israël en het Joodse volk: het Joodse Dilemma

De Abrahamitische religies beginnen uiteraard bij de aartsvader Abraham (voorheen Abram genoemd). Toen Adam en Eva door Jahweh (God) uit het paradijs gezet werden en voor het eerst geconfronteerd werden met het kwaad (de slang) waren ze overgeleverd aan het zware aardse bestaan. Ze moesten nu zelf de grond bewerken. Ze hadden twee zonen: Kain (boer) en Abel (herder, traditionele vijand van de agrarische staat). Kain vermoordde zijn jongere broer Abel na het afwijzen van zijn offer aan God. De Thora en het oude testament (schrijvers namens Jahweh) veroordeelde deze moorddaad. Kain doolde door het land van Nod als verschoppeling. Later bouwde hij de eerste stad van de wereld (in tegenstelling tot het nomadische herdersbestaan van Abel).

In Abraham komt die afkeer van een agrarische cultuur (eerste nederzettingen in Mesopotamië) weer terug (het nomadische herdersbestaan). Abraham kreeg de opdracht om zich te vestigen in Kanaän. Vanuit Kanaän stichtte Abraham via Isaak en Jakob (Israël) het Rijk van Jawheh. Jacobs 12 zonen vormden de hoofdstammen van Israël. Door hongersnood moesten de zonen uitwijken naar Egypte.

Jozef (een van de jongste zonen van Jakob) had een machtige positie veroverd in Egypte doordat hij dromen kon uitleggen aan de Farao. Jozef werd door zijn broers in de put gegooid door zijn broers vanwege hebzucht en jaloezie, maar werd uiteindelijk verkocht aan Egyptische handelaren. Jozef’s talent om dromen uit te leggen kwam goed van pas. Jozef voorspelde 7 vette en 7 magere jaren. In de 7 magere jaren van hongersnood werd Jozef herenigd met zijn vader en broers. Ze moesten graan kopen in Egypte bij Jozef. Na de hereniging leefde het joodse volk verder (Israëlische stammen) onder het juk van het Egyptische Rijk en voelde zich steeds meer slaaf en balling. Mozes voerde het Israëlitische volk weg uit Egypte, waarin de Israëlieten uiteindelijk 40 jaar lang in de Sinaï woestijn verbleven. Voordat ze het beloofde land bereikten, stierf Mozes (hij had te veel geweld gepleegd) en nam Jozua de leiding over. Daarbij verwoestte hij alle steden in Kanaän (Jericho) en doodde hij alle inwoners.

Dit mythische verhaal geeft het joodse volk identiteit en bestaansrecht. Het is geen historisch verslag er is zelfs helemaal geen enkele vorm van historisch bewijs van de personages (Mozes, Joshua) de veldslagen en de trek door de woestijn. Het laat wel zien waarin het joodse volk of beter gezegd de Israëlieten zich afscheiden van de omliggende volken. Het verhaal geeft legitimatie aan het begrip: de uitverkoren joden (Israëlieten) die recht hebben op het beloofde land (Kanaän), het legt een claim op een specifieke religie, een claim op het uitverkoren volk, aangewezen door God en het legt een claim op een territorium.

Voorheen (voor de 12e eeuw v. Chr.) was Kanaän in handen (onder gezag) van het Egyptische Rijk. Klimaatverandering (1130 v. Chr.) in het Middellandse zee gebied kunnen de steden hebben vernietigd waardoor Egypte geen invloed meer had op het gebied en economieën ineenstorten. Dat gaf de Israëlieten de mogelijkheid om een eigen samenhangende cultuur (verbond) te vestigen met ook andere stammen. Door betere technieken kon dat nu ook in de onherbergzame gebieden, waar het gezag van de Egyptische cultuur minder dominant aanwezig was. De Israëlieten streefden naar een egalitaire tribale organisatie die minder gericht was op een agrarische samenleving (herders/nomaden cultuur) met zeer beperkte bestaansmiddelen en kleine nederzettingen.

Israël is altijd omringd door grote Rijken. In 587 v. Chr. verwoestte Nebukadnezar Israël, waardoor ze wederom ballingen waren in het Babylonische Rijk (1e diaspora van de joden). De politieke filosofie was daarom gebaseerd op het uitbannen van geweld en het in stand houden van een kleine staat naast de grootmachten. Het was een strategie die gericht is op het behoud van familiebanden, niet het steunen van de aristocratie. Rentevrije kredieten, tijdig betaling van lonen en voorzieningen voor kwetsbaren werden gereguleerd. Hierin komt het Hebreeuwse Dilemma terug wat sterk lijkt op het Taoïstische Dilemma. Aan de ene kant is er een god en ideologie van de liefde, de bezinning, een god voor de kwetsbaren, de god van de herder. Aan de andere kant is er een god van de oorlog, de verwoesting een god die zich keert tegen het agrarische bestaan. Jawheh is de vijand van grote steden (verwoesting Babylon, Jericho, Sodom  en Gomorra etc.). Aan de ene kant creëert god een nieuwe nomadische wereldheerschappij voor het Israëlitische volk, aan de andere kant breekt hij grote agrarische agressieve samenlevingen af.

Net als bij het Taoïstische dilemma konden de vredelievende herders samenlevingen het niet bolwerken, waardoor ze aangewezen waren op de grote agrarische militaire samenlevingen die systematisch minderheden onderdrukten: Mozes in Egypte, Daniel in Babylon etc. Bij de exodus moest Mozes ook geweld gebruiken (plagen) en het Egyptische leger vernietigen (Rietzee, Rode Zee) om tot een uittocht en bevrijding te komen. De intocht in het beloofde land leidde de totale vernietiging van de Kanaänieten in (Jericho en andere steden). Deze vernietiging is vooral religieus/mythisch van aard. Uit archeologische gegevens is niks van deze totale verovering gevonden, eerder samenlevingsvormen tussen Kanaänieten en Israëlieten.

Het dilemma strekte zich ook uit in het bestuur. De Israëlische staat durfde niet een reguliere staat op te zetten waardoor het bleef bij de instelling van richters (rechters). Dat leidde steeds weer tot onbezonnen gedrag, verdorvenheid en verval. De monarchie leek de enige mogelijkheid om tegen dit verval in te gaan. Een koningschap dat de twee rijken Juda en Israël verbond en weerbaar maakte tegen de Filistijnen. Daarop benoemde de Richter Samuel de eerste koning: Saul. Later zette Koning David Saul af. David was de echte Koning van Israël, breidde het Rijk uit: veroverde de oostelijke oever van de Jordaan, Jeruzalem en verenigde de noordelijke regio’s (Israël) en zuidelijke deel (Juda) waardoor Israël 1 groot rijk werd onder 1 koning. Koning David was vooral een heldhaftige Koning (strijd tegen Goliath) maar paste ook veel meedogenloos geweld toe. Daardoor kon hij geen tempel voor Jawheh bouwen. Salomo (sjalom,vrede) zijn opvolger en zoon kende een meer barmhartig en wijs karakter. Hij bouwde een grootste tempel voor de Israëlieten. Toch kon Salomo zich niet vergewissen van het afdwingen van geweld (bouw tempel, slavenarbeid, dwangarbeid etc.). Ook scheidde een groot aantal volken zich af waardoor het rijk zich opsplitste in twee koninkrijken (het noordelijke meer onbekende en welvarende deel en het zuidelijke meer bekende deel van Jeruzalem). De koning en god van Israël en Juda richtte zich steeds meer op oorlog, handel en diplomatie met de naburige staten.

Toen het via de bloei van Assyrië weer wat beter ging met de 2 koninkrijken profiteerden vooral het rijkere deel van de bevolking. Er ontstonden aristocratieën die tegen de oude egalitaire idealen van Israël ingingen. Profeten als Amos en Jeseja waarschuwden al voor de teloorgang van deze egalitaire idealen en het gevaar van de dominantie van het Assyrische rijk dat gestoeld was op een agrarische economie. Na de afzwakking van het Assyrische rijk en de mindere interesse van het Egyptische rijk in Juda bogen Israëlische inwoners zich over hoe ze zich meer onafhankelijk konden bewegen tussen de grote rijken. In de tempel van Salomo vond de hoge priester Josia in de 7e eeuw v. Chr. een boekrol met de tekst van de wet (tora) over de dictaat van Jawheh aan Mozes. De eerste wet was verloren gegaan.

Nu hadden ze de tweede wet gevonden: Deuteronomium. Een tweede mondelinge overgedragen leer van Jawheh op Mozes op de berg Sinaï. Met deze tweede wet ontstond er een echt monotheïstische cultuur, waarbij andere goden definitief verboden werden. Vereer na mijn geen andere goden zie je nu terug in de drie grote monotheïstische godsdiensten. Voorheen hadden de Israëlieten gezondigd door te trouwen met Kanaänieten, gemengd met andere Rijken, andere goden aanbeden (beeldjes) en de toorn van God ontvangen. Israël (de noordelijke stammen) waren terecht verslagen omdat ze niet voldeden aan de leer. Aan de Pentateuch (5 boeken van Mozes) werden de 10 geboden  toegevoegd. De nieuwe leer (Deuteronomisten) ging gepaard met een explosie van geweld en agressie tegen alles wat niet in de leer paste: er vond een enorme gewelddadige zuivering plaats.

Uiteindelijk werd Juda en dus Jeruzalem en de tempel van Salomo toch door Nebukadnezar vernietigd (587 v. Chr.). De inwoners van Juda werden verbannen naar Babylon waar ze goed behandeld werden. Het verzwakte Babylonische Rijk werd vrij eenvoudig zonder verzet overgenomen door het Perzische Rijk (Cyrus). Cyrus hanteerde een vredelievend beleid en zorgde voor de wederopbouw van ingelijfde volkeren en de opbouw van oude tempels, hij stuurde de joodse ballingen terug. Dit beleid zorgde voor een relatief stabiele periode in het Midden-Oosten (Perzië): de Pax Persiana. Darius I zette het beleid voort van de goddelijke goede politie agent tegenover de kwade tegenstanders die de wereld moet redden (waar zien we dat nog meer? Mr. Bush). Als alle wrede landen onderworpen zijn binnen 1 rijk, zal er wereldvrede ontstaan. De Judeeers stichtten in 539 v. Chr. een eigen tempelstaat en zwoeren in tegenstelling tot de Deuteronomisten geweld en onderdrukking af. de Judeeers (aristocratie) voegde verzoening toe in de verhalen en knipte geweld uit het scheppingsverhaal.

Zowel de Indus, Chinese en Joodse cultuur kennen een voortdurende tweestrijd tussen wel of niet geweld gebruiken, waarbij geweld nodig is om een groot rijk op te bouwen of te onderhouden, maar waarbij geweld tegelijk ook de ondergang van het Rijk inluidt.

Het Perzische Rijk werd verslagen door Alexander de Grote (333. v. Chr.) waardoor Judea onder invloed kwam van anderen (Ptolemeeen, Seleuciden). Toch kon Judea en Jeruzalem uiteindelijk een eigen rijk stichten door de verovering van Idumea, Samaria en Galilea en hun tempelcultus behouden. Er waren ook stammen die deze tempelcultus afwezen (Qumran en Essenen, nabij de dode zee). God zou de tempelcultus reinigen van onreine gebruiken uit andere culturen. God zou een andere tempel bouwen en een nieuwe wereldorde instellen. Ook de Farizeeën (aristocratische leiders van Juda) leefden de tora na en leidde de opstanden tegen de Hasmoneeen.

Ze riepen de hulp van de Romeinen in, maar Pompeius (64 v. Chr.) roeiden juist een groot deel van de joden uit om de opstand te onderdrukken. De tot joods bekeerde Marionetten koning Herodus heerste over Palestina (Latijnse naam voor Judea). Hij bouwde een nieuwe tempel en versterkte het gebied met forten, maar de joden moesten daarvoor ook extra belastingen betalen die bovenop de Sadducesische belastingen kwamen. De tollenaars stuurde deze koloniale belastingen door naar het grote Romeinse Rijk, maar verrijkte zichzelf ook met de opgelegde tol. De Farizeeërs maakten juridisch deel uit van de aristocratie in Palestina door het handhaven van wetten uit de Thora. Hierdoor werden beide partijen gehaat door het ‘gewone’ Joodse volk. Iedereen met een politieke carrière moest eerst in de leer bij een Farizeeërs om de joodse wet te kennen. De geheven belastingen door het Romeinse Rijk riepen steeds meer op tot verzet bij boeren in de Galileische dorpen. Het verzet werd vooral door Judas ingeleid. ‘Belasting maakt ons tot slaven en de heidense symbolen keren tegen ons’. Een goddelijke interventie zal ons verzet steunen. Het is gebaseerd op een apocalyptische gedachte dan een gebeurtenis op aarde de kosmische orde kan veranderen: die gebeurtenis is de komst van Jezus.

Jezus en het christendom.

Het verhaal van Jezus stamt uit de tijd van de Pax Romana. Een periode waarin het Romeinse Rijk met geweld de omliggende gebieden veroverd had en een bepaalde vorm van stabiliteit bracht. De Romeinen waren de godenzonen, brachten welvaart en nieuwe technologie (architectuur, kunst, wegen, taal etc.) in de veroverde gebieden. Deze welvaart werd op een meedogenloze harde manier afgedwongen. Elk verzet en  elke overwinning zorgde voor een enorm bloedbad. Dat mocht want de overige volkeren waren barbaren. Jezus groeide op in het dorp Nazareth, een dorp dat omringt was met geweld en opstanden. De verschillen tussen arm en rijk waren enorm groot. De aristocratie (Herodus Antipas), tollenaars en de overige elite (Farizeeërs) verrijkten zich aan ingewonnen land, luxe, dure kleding en belastingen. Terwijl de boeren en kwetsbaren juist deze belastingen moesten betalen. Grote groepen mensen waren wanhopig en hadden hun land verloren en moesten wat anders doen (handwerk, timmerman etc.. Jezus verzette zich tegen het geweld van het Romeinse Rijk. Hij werd zelf opgepakt, gemarteld en gekruisigd door de joodse autoriteiten, maar pleegde zelf geen gewelddadig verzet. Jezus bedreef zowel politiek als religie door duivels uitbanningen parallel te laten lopen met de onderdrukking van de Romeinen.  De overheersers zagen dat als provocatie en besloten Jezus gevangen te nemen. Bovendien werd Jezus binnen gehaald  als Koning van Israël en zoon van David en God, wat een provocatie is aan de joodse autoriteiten. Ook gooide hij de tafel van de geldwisselaars om die vanaf het Perzische Rijk de centrale macht vertegenwoordigden in Judea. Het was een verzet van Jezus tegen uitbuiting van het gewone volk (de tienden belastingen) en de kwetsbaren. Jezus kon ook alleen de armen zegenen, omdat de rest medeplichtig was aan het imperialistische systeem en het systematische geweld in de regio. Jezus en zijn volgers keerden zich tegen de hiërarchische maatschappij van de Romeinen en de joodse autoriteiten en keerde terug naar een meer egalitaire samenleving dat zich afkeerde van hebzucht en eigen belang. Daar tegenover staat het boek Openbaringen van Johannes van Patmos die Jezus juist afschildert als een strijder in de apocalyps van goed en kwaad. Jezus zou Rome verslaan om tot een rechtvaardige wereld te komen.

Die strijd tegen de Rome kwam er in 66 n. Chr. toen Nero een groot leger naar Judea stuurde. In 70 n. Chr. verwoestte Vespasianus de stad Jeruzalem en de tempel volledig. In 135 n. Chr. werden de joden voorgoed verdreven uit Judea/Palestina na een mislukte opstand. (2e diaspora over de hele wereld). Het verzet tegen het Romeinse Rijk zorgde voor een enorme geweldsexplosie, waardoor de joden over de hele wereld verspreid raakten (o.a. Spanje, Marokko, Amsterdam, Venetië, Polen, Oekraïne, Turkije, Oost Europa Rusland en de VS). Hierdoor zweerden Rabbijnen het gebruik van fysiek geweld en chauvinisme af en benadrukten de spirituele en vreedzame kracht van de Thora. Geweld en strijd zou alleen nog maar plaats kunnen vinden uit zelf verdediging.Vanaf 1880 migreerden de Joden pas weer terug naar het thuisland. Veel joden werden onder druk gezet door het Orthodox Katholieke geloof en het Tsaristische regime uit de Oost Europese landen en Rusland (pogroms). Bovendien was er al veel antisemitisme. Joden waren een handige zondebok in slechte perioden. De aandacht leid je dan af van het werkelijke probleem.

In Bazel vond het eerste zionistische congres plaats (Theodor Herzl) waarin de eerste contouren voor een joodse staat werden geschetst. De Holocaust in de WOII zorgde voor een definitieve Joodse Staat, gesteund door de invloedrijke machthebbers (Geallieerden). Palestina was in handen van het Ottomaanse Rijk maar werd verslagen door Groot-Brittannië in de Eerste Wereldoorlog. Via de Balfour verklaring (aan Rothschild) kwam er een Britse toezegging voor een Joodse Staat.

Over de verbanning van de joden uit Palestina door de Romeinen bestaat discussie. De vraag is of de joden verbannen werden of niet meer het religieuze centrum van Jeruzalem mochten betreden na de opstand. De diaspora wordt ook wel eens door de  christenen en later de zionisten gezien als straf van God voor de moord op Jezus. Het terugbrengen van de joden naar hun ‘thuisland’ zou een einde van de straf betekenen en verzoening tussen joden en christenen.

Ontstaan van een christelijke religie: wel of geen toepassing van geweld

Na de val van Jeruzalem kreeg het christelijke geloof als sekte steeds meer aanhang bij verschillende bevolkingsgroepen (kwetsbare groepen, intellectuelen, aristocratie etc.). De aanhang werd vooral sterk in de steden omdat het Romeinse Rijk zich concentreerde op het verdedigen van de buitengrenzen. Dat betekende meteen ook een gevaar voor de kerk omdat ze de Romeinse autoriteiten op deze wijze ondermijnden. In 312 kreeg Keizer Constantijn een visioen van een brandend kruis in de lucht met dit teken dat hij zou overwinnen. Later dat jaar nam hij de christelijke godsdienst over als officiële staatsgodsdienst. Het Romeinse Rijk kwam daarmee in een paradox van geweld en uitbreiding van het Rijk tegenover de vredelievendheid naar anderen en het teruggeven van bezittingen. Constantijn verschoof het Romeinse Rijk naar het Oosten (vanwege de strategische positie aan de Bosporus). Constantinopel (Nova Roma) werd de hoofdstad van het Byzantijnse Rijk. Later zou dit het Romaanse Rijk opdelen in een westelijk gedeelte (Romaanse Paus) en een oostelijk gedeelte (Orthodoxe kerk).

Binnen het Byzantijnse Rijk ontstonden alternatieven die het gewelddadige militaire Keizerlijke christendom van Constantijn verwierpen. Monniken keerden zich af van de agrarische economie en begonnen een kluizenaarster bestaan zonder aardse voordelen. Het west christelijke Romeinse Rijk werd steeds meer bedreigd door de barbaarse stammen (Vandalen, Visigoten) die geleidelijk aan wel bekeerd werden door de bisschoppen die geleidelijk aan de plaatsen van de verzwakte Romeinse leiders overnamen. In Byzantium keken ze met afschuw naar deze barbaarse transformatie. Zo werd het schisma tussen de orthodoxe byzantijnse kerk en de Romaanse Paus kerk van Petrus steeds sterker. Bovendien werd het Perzische rijk steeds groter door een zwakker wordend Byzantijns Rijk en een uit elkaar vallend Romaans Rijk. Ook kregen de joden en de christenen in het Midden-Oosten een spiritueel intellectueel centra in het Midden-Oosten (nabij Baghdad, Mesopotamië). Na de val van het Romeinse Rijk verschoof het centrum van religie en macht meer naar het (Midden)-Oosten onder leiding van de Perzische leider Khusro. Het Byzantijnse rijk (Constantinopel) kon nog maar net op de been blijven tegen het Perzische Rijk in de Byzantijnse-Perzische oorlogen (vanaf 610). Het Byzantijnse Rijk bleef tot 1453 bestaan tot dat de Ottomanen definitief Contantinopel veroverde. In de tussentijd bleven de Byzantijnen geloven in een Pax Christiana die verenigbaar was met de Pax Romana.

Het dilemma van de moslims: opkomst van de Islam

De Byzantijnse-Perzische oorlogen verzwakten beide rijken dermate dat een nieuwe Arabische stroming voet aan de grond kreeg. Mekka werd een belangrijke handelsstad in Arabië met goede verbindingen tussen India, Oost-Afrika, Jemen en Bahrein. Mekka was bovendien een bedevaartoord waar mensen oude rituelen uitvoerden rond de Kaaba tijdens de maand hadj. De toenemende rijkdom door handel bleef beperkt tot rijke families waardoor de egalitaire tribale structuur verloren ging en er naast aristocratische families enorme armoede ontstond (het bedoeïenenleven). Dat leverde grote rooftochten op om de armoede beter te herverdelen.

Mohammed ibn Abdullah was een vrome koopman die in 612 onder zijn medeburgers begon te  preken. Hij preekte uit de Koran (oplezing). De ideeën uit de Koran waren meegereisd langs de handelsroutes en hadden zijn oorsprong bij Ismael (de oudste zoon van Abraham). Allah was dezelfde god als de God van de Joden en christenen. De Koran bood tegenwicht aan het opbouwen van enorme fortuinen, het opkomende geweld en streefde naar een rechtvaardige samenleving waarin je rijkdom deelt. De moslims vormden een oemma, een gemeenschap die een alternatief verschaft voor de hebzucht van het Mekkaanse kapitalisme. De volgelingen van Mohammed werden moslims genoemd (overgave aan Allah) en Mohammed werd hun belangrijkste profeet. Ze ruilden de gewelddadige rooftochten in voor de traditionele Arabische deugd, verdraagzaamheid, geduld en barmhartigheid.

De zorg voor kwetsbaren, de bevrijding van slaven, vriendelijkheid en het reinigen van zelfzucht vormden de belangrijkste waarden. Wat dat betreft lijkt Mohammed veel op Jezus en Confucius. Mohammed werd bedreigd door de rijke burgerij vanwege de Oemma en het prediken van het monotheïsme. Hierdoor moest Mohammed met 70 moslim families uitwijken (hidjra, migratie) naar Medina (Al-Madinat). Zo scheidde ze zich af van de bestaande stammen en waren ze toegeleverd aan vreemdelingen. Door neutrale bemiddeling van Mohammed kon Medina (voortdurend in oorlog verkerend) zich ontwikkelen tot een primitieve staat. Een Staat die alleen door rooftochten aan voldoende middelen kon komen. Mohammed voerde als militair leider verschillende wrede aanvallen op Mekka en de Joodse stammen uit. Daarna breidde hij zijn Rijk uit met onderhandelingen. In 630 opende Mekka vrijwillig de poorten voor het moslimleger.

 

Barmhartigheid naast oorlogsvoering in de Koran

Momenteel wordt in de westerse wereld (vooral bij conservatief populistische partijen) de islam gezien als een geloof dat staat voor alles wat slecht is. Zo wordt de jihad gezien als een oproep tot geweld tegen alle ongelovigen. Het woord Jihad komt alleen niet zo heel vaak voor in de Koran en staat vooral voor de innerlijke strijd tegen het egoïsme en het moedig ondergaan van beproevingen en het geven aan armen in moeilijke perioden. In de Koran staat niet zoveel geschreven over het verplicht aangaan van militaire oorlogen of het uitroeien van ongelovigen. Wel geeft Allah toestemming tot defensieve strijd of offensieve oorlog onder bepaalde voorwaarden. De interpretatie van de Koran kan heel verschillend uitgelegd worden. Zoals dat ook gedaan wordt in het christendom. Moeten we eerst een totalitaire strijd voeren om daarna ons te ontfermen over de kwetsbaren of moesten moslims volledig afzien van strijd en ondergaan in de massa? De koppeling tussen de verzen en de historische gebeurtenissen leveren bovendien veel tegenstrijdigheden op, waardoor de Koran op allerlei manieren geïnterpreteerd kan worden. Daarom zie je ook zoveel verschillende varianten van de islam. In de 9e eeuw kregen de agressievere verzen (zoals het zwaardvers) in de Koran de bovenhand. Dat is te verklaren door het in stand houden van een Rijk op militaire, geopolitieke en economische gronden. Toch gaan meedogenloosheid en barmhartigheid gelijk met elkaar op in de Koran. Bevecht u vijand, maar wees barmhartig als ze om vrede vragen.

In 632 viel de federatie van Mohammed (na zijn dood) uiteen. Aboe Bakr  (khalifa) volgde Mohammed op en vocht tegen de stammen die uit de federatie stapte. Hij herstelde de pax islamica. Doordat Arabië geen stabiel agrarische economie kon voeren (gebrek aan landbouwgrond) moest de tweede khalief Omar continu oorlog voeren op economische gronden. De markteconomie kon niet het hele schiereiland onderhouden. Door rooftochten te voeren in de verzwakte Byzantijnse-Perzische gebieden konden ze toch gemakkelijk aan voldoende bronnen komen. In een vrij korte periode konden de Arabieren her Romeinse leger uit Syrië terugdringen en het Perzische leger verpletteren. In 641 veroverde ze Egypte. De moslims waren heer en meester in Mesopotamië, Syrië, Palestina (Jeruzalem) en Egypte. Met de verovering van Perzië hadden ze een rijk vergelijkbaar met de veroveringen van Cyrus. Omar legde geen islam op in de veroverde gebieden, maar nam het Perzische systeem over.  Beschermde onderdanen (Dhimmi’s) konden hun eigen geloof uitoefenen zolang ze maar belasting (djizja) betaalden voor militaire bescherming. De bevolking was wellicht ook opgelucht dat ze nu eens niet te maken hadden met het geweld van het christelijke Romeinse Rijk. Ook werd Jeruzalem na Mekka en Medina de derde heiligste plek in de moslimwereld (Al Aqsa-Moskee, 660 n. Chr.) en werd de joodse tempel opgeknapt die dienst deed als vuilnisbelt. Bovendien werd er niemand meer vervolgd met een andere geloofsovertuiging (zoals bij ketters).

Het succes van de expansie en de uitbreiding van de Arabische taal zorgde voor voorspoed en dat stemde veel inwoners gunstig. De uitbreiding zorgde ook voor ontevredenheid (mislukte invasie Constantinopel), lastige aanvoerlijnen, minder buit, vreemde omgeving en een instabiel familieleven van soldaten. Deze soldaten kregen een ander beeld van de jihad. Een jihad dat veel meer te maken had met militaire strijd, oorlog en veroveringen en veel minder te maken had met de oemma, barmhartigheid. Er ontstond een minachting voor de thuisblijvers die niks toevoegden aan het nieuwe rijk. Vechten (Hadith) werd voor hun de zesde zuil van de islam. Het zorgen voor armen werd minder belangrijk. Vechten werd belangrijker dan de 5 andere zuilen (geloofsbelijdenis, rituele gebeden, geven van aalmoezen, het vasten tijdens de ramadan en de bedevaart naar Mekka). Terwijl Mohammed het zware monnikenleven en de persoonlijke ontberingen bedoelde met de jihad. De soldaten zagen de jihad als een eindstrijd (apocalyps) waarin de dood en het paradijs dichtbij was. Zij voerden voor Mohammed de elite troepen van de islam aan, vergelijkbaar met de christelijke martelaren, ze sterven voor het heilige doel. Het leven op aarde was dan ook slechts voorbestemd voor het hiernamaals. Het martelaarschap stond voor de ultieme overgave (islam). Als elite soldaat hoefde je niet te wachten op het laatste oordeel, maar kwam je meteen in het paradijs met allerlei mooie vooruitzichten. Een uitermate grote eer voor de huidige ‘moslimterrorist/strijder’ nu en vroeger.

Scheiding Sjiieten en Soennieten

De paradox tussen praktisch ingestelde moslims die streefden naar een grote centrale macht en de orthodoxe moslims met traditionele waarden die dichtbij de profeet Mohammed staan, leidde tot het schisma in de islamitische wereld. In 656 werd Oethman (centrale gezag) gedood door de orthodoxe Koran voordragers die gekant waren tegen de toenemende centralisering. Met de steun van de ontevredenen (kharidjieten) werd Ali, neef en schoonzoon van de Profeet de vierde kalief. Zijn bewind werd niet getolereerd door Moeawija (verwant aan Oethman) in Syrië. Moeawije was de zoon van een van de grootste vijanden van de Profeet en werd gesteund door de rijke koopmannen in Mekka en het Syrische volk. Binnen de Oemma werd het voordeel beslecht ten gunste van Moeawija, beide voormannen berusten in deze uitkomst, maar de extremistische kharidjieten legde zich daar niet bij neer en vermoordde Ali in 661. Het lot van Ali werd verbonden met de hogere islamitische waarden en het structurele onrecht van het gangbare politieke leven. Deze sjiieten (volgelingen van Ali) vereren de mannelijke afstammelingen van Ali als ware leiders van de oemma. De meeste moslims vonden dat de eenheid van de oemma de eerste prioriteit moest zijn. Dat mocht gepaard gaan met een bepaalde onderdrukking en onrechtvaardigheid. Zij volgden de soenna (overgeleverde gewoonte, traditie) van de profeet: de soennieten. De soennieten volgen de traditie van de profeet en de eerste drie kaliefen. De sjiieten wijzen juist deze drie kaliefen af en volgen Ali, de vierde opvolger van Mohammed.

Deze verschillen maakten net zoals in het jodendom en christendom een zuivere interpretatie van de islam onmogelijk. De Koran had de moslim een missie meegegeven: een rechtvaardige samenleving waarin alle leden, zelfs de kwetsbaren met absoluut respect behandeld moest worden. Politiek, economie is daarmee per definitie verbonden met religie.

Uiteindelijk stichtten de Omajjaden een koninklijke macht in Damascus. De meeste moslim berusten zich in deze absolute monarchie omdat het meer rust bracht dan de strijdende partijen. Ze verlangden naar een autocratisch regime. Er werd een staatsmonopolie op het geweld in gevoerd waarbij alleen de Kalief moslims op mochten roepen tot oorlog. In Perzië (Iran) verzette een groep ontevredenen zich tegen het centralistische expansie regime van de Omajjaden. In 749 versloegen deze sjiitische Perzische groepering (Abbasiden) de kalief van de Omajjaden. Maar al snel bouwden ze zelf een monarchie en deden ze afstand van de egalitaire sjiitische waarden. De Abbasiden richtten zich op het oosten met expansie en inname van de stad Bagdad. Dat zorgde er ook voor dat het Westen minder bedreigd werd door de moslims.  Karel Martel kon de moslimexpeditie bij Poitiers stoppen, waardoor Europa niet in handen viel van de moslims. Door het enorm opgebouwde islamitische rijk was het moeilijk om voor iedere burger aristocratische lastige wetten in te stellen. Door het invoeren van de Sharia (islamitisch recht) was iedere burger rechtstreeks verantwoordelijkheid schuldig aan Allah en niet meer via de Kalief. Daarmee stond elke moslim in verbinding met de oemma. De Iman stond in schril contrast met de Kalief. De Iman (sjiieten) weidde zich aan de Profeet, stilte en het schrift terwijl de Kalief (soennieten) bezig was met het bestuur van het land en dat afdwong met geweld en een bijstaande beul.

Turkse machtsovername: Seltsjoeken en Ottomaanse Rijk

In de 10e eeuw namen de turken (Seltsjoeken) een groot deel van het verzwakte islamitische rijk over en bezette ze zelfs Bagdad (945). Sjiieten deden  hun macht gelden in Irak en Iran gelden waardoor het politieke islamitische bestuur grotendeels uit elkaar viel. de Fatamiden verwierpen het Abbasidische bestuur in Etypte, Syrie en Noord-Afrika. Het kalifaat werd aan alle kanten aangevallen waardoor het ernstig verzwakt was. Aan de Oostzijde werd de zijderoute ernstig bedreigd waardoor de handel stil viel. Aan de westzijde werd het kalifaat bedreigd door het Byzantische rijk en Spanje (Al-Andalus). Het islamitische rijk/kalifaat was een makkelijke prooi voor de Seltsjoeken (1040-1194). Maar door interne twisten van Turkse Emirs verzwakte het tot de islam bekeerde Seltsjoekse rijk zich in kleine emiraten (staten). Hierdoor verschoof de focus van het Oosten (Iran) naar het Westen (het Byzantijnse Rijk) via het hoogland van Armenië (1071).

De Oguz Turken onder leiding van Osman I (Osman Gazi) trokken door naar Anatolië verder het Byzantijnse Rijk in, waardoor de Byzantijnen de hulp van de westerse christenen moesten inschakelen. Het Ottomaanse Rijk (1299-1922) breidde zich sterk uit en had een centrale machtspositie tot dat het in de 20ste eeuw in de Eerste Wereldoorlog instortte (de zwakke broeder). Het Ottomaanse Rijk had een strategische positie tussen het Oosten en Westen. In 1453 veroverde Mehmet I Constantinopel waardoor het Byzantijnse Rijk omviel en het Ottomaanse Rijk een belangrijke handelsroute verkreeg aan de Bosporus. Istanboel werd de hoofdstad van het centraal geleide Ottomaanse Rijk. De Sultan bestuurde het Rijk en kreeg daarmee veel invloed over het Middellandse Zee gebied, de Balkan en de Arabische wereld. In de 18de eeuw vormde het Russische Rijk de grootste bedreiging voor de Ottomanen. Begin 19de eeuw viel Napoleon Egypte binnen. Het waren de eerste tekenen van een verzwakt Ottomaans Rijk. Ook had het Rijk moeite met het onderdrukken van de wahabieten in Saoedi Arabië (Mekka). Tijdens de Eerste Wereldoorlog riep de Sultan op tot een jihad tegen de Britse, Franse en Russische vijanden en werkte samen met de centralisten (Duitsland en Oostenrijk-Hongarije).

Kruistochten en Jihad.

Binnen de westerse samenleving na de val van Rome verdween de aanvankelijke egalitaire structuur van de kerk en ontstond er een bovenlaag van mannen met macht (potentes) en een onderlaag van de armen (paupers): het feodale systeem. Ridders die hun inkomsten verkregen uit oorlog en plundering traden toe tot de laag van de adelen (edelmannen) en werden vrijgesteld van belasting en dwangarbeid. De priesters die uit de aristocratie voortkwamen en het systeem hadden opgezet ondersteunden dit systeem. Het stond haaks op het egalitarisme van de evangelie. Ontevredenen werden gezien als ‘ketters’.   Voor  paus Gregorius VII en de Romaanse kerk was ridderschap juist een heilige missie. De kruistochten waren een heilige oorlog, een roeping aan de Karolingen voor het behoud van de kerk en het verslaan van de vijanden van de kerk in de oostelijke gebieden. In de tussentijd streden de pausen intern ook met de keizers op het monopolie van geweld. Paus Urbanus II riep de Franken in 1095 op tot de eerste kruistocht. De afstammelingen van Karel de Grote moesten vechten tegen de bedreiging van de moslims in het oosten en het Heilige land (Jeruzalem) bevrijden.

De apocalyps zou plaatsvinden in Jeruzalem en de moslims waren de antichrist. De kruistochten waren niet alleen gericht op moslims, maar ook op Joden. Die  hadden immers Jezus Christus vermoord. De sociale onrust van de overgang van een agrarische economie naar een markteconomie zorgde voor extra geweld tegen de Joden, die van deze onrust beticht werden. De kruisridders, waaronder de Tempeliers, die Jeruzalem veroverden waren doordrongen van religie (de christenen tegen de heidense barbaren) en geweld. De enorme explosie van geweld van deze eerste westerse kruistocht wakkerde in de islamitische gebieden de gewapende, militaire jihad aan. Elke westelijke interventie roept herinneringen op naar de eerste kruistocht, waardoor de gewapende jihad gerechtvaardigd was. In aanvang waren de moslims helemaal niet geïnteresseerd in de kruistochten, maar een overmaat aan geweld zorgde voor een gewapende strijd. Een strijd die gewonnen werd door de moslims (Saladin). Die op de Tempeliers na, de christenen humaan en genadig behandelde waardoor hij zelfs ere christen werd. De opeenvolgende kruistochten werden steeds meer vanuit een commercieel (buit) perspectief gehouden en aangestuurd door Koningen (Richard I, Frederik Barbarossa, Filips II) en later de Venetiaanse kooplieden. Na de kruistochten werd een groot gedeelte van de wereld (Centraal Azie) en het Perzische/Turkse gedeelte onder de voet gelopen door de Mongolen (Dzjengis Kahn, 1190-1258). De staten werden later in het Midden-Oosten bekeerd tot de islam.

Tijdens de 12e eeuw veranderde boerengemeenschappen steeds meer in stedelijke markteconomieën met handelscentra. Geld werd steeds belangrijker in de economie maar werd door het heffen van rente ook gezien als de wortel van het kwaad. Omdat Joden veel land verloren waren ze vaak aangewezen tot handel en financiële dienstverlening aan de aristocratie (rentmeester, geldschieter, taxateur etc.). Bovendien was hebzucht nog een van de grote hoofdzondes. Met name het heffen van rente werden de joden kwalijk genomen. Joden werden zo snel geassocieerd als hebzuchtige parasieten. Ze vormden een gemakkelijke zondebok voor de westerse samenleving en een voedingsbodem voor geweld die gepaard ging met onrust over een kapitalistisch wordende maatschappij.

De toegenomen verschillen tussen arm en rijk en het geweld stond haaks op de leer van Jezus Christus. Franciscus van Assisi gaf bijvoorbeeld al zijn rijkdom weg en ging als kluizenaar leven omdat rijkdom haaks stond op de evangelische leer. De huidige jezuïtische paus (Jorge Mario Bergoglio) heeft zich vernoemd naar Franciscus van Assisi en richt zich ook op de armoede en kwetsbaren in de strijd tegen het kapitalisme. Nogal een contrast met Paus Innocentius III die de machtigste paus ooit was en met harde hand zoveel mogelijk Katharen uitroeide. Het geeft ook de innerlijke strijd weer in de kerk zelf. De rijkdommen van de elitaire Rooms Katholieke kerk berust op macht en geopolitiek versus de ‘ketterse’ afvalligen (zoals de Katharen) die streven naar de puurheid van een egalitair sober bestaan zonder hebzucht en bezittingen. Hebzucht versus armoede. Strijd versus bezinning.

Modernisering (progressief Europa)

De strijd en de angst voor moslims nam toe nadat het Ottomaanse Rijk het Byzantijnse Rijk verwoest had in 1453. Het Byzantijnse Rijk vormde een buffer tussen Oost en West. Nu die buffer verdwenen was nam de dreiging toe. De Turkse bedreiging kwam niet alleen vanuit het Oosten maar ook uit het Zuiden via de Middellandse Zee naar Spanje (Castilië). Het Ottomaanse Rijk werd het sterkte rijk naast de Mongolen en Perzen. Het West christelijke rijk lag ver achter op de moslims. Het Ottomaanse Rijk bestond op basis van expansie, oorlogvoering en belasting innen. De agrarische staat was sterk verbonden met oorlogvoering om deze te onderhouden en kende een zeer conservatief karakter.

De Europeanen maakte een andere ontwikkeling door: een ontwikkeling die een meer progressief innovatief karakter had gebaseerd op een commerciële economie. Ook vond er vanaf de 15e eeuw een scheiding tussen kerk en staat plaats (renaissance). Vanaf 1492 ontdekte de Europeanen de nieuwe wereld die gekoloniseerd en bekeerd moest worden (Hernan Cortez, conquistadores). In 1 klap werd Spanje het machtigste en rijkste land van de wereld. Spanje begon zich daarbij ook steeds meer te richten op het uitroeien van (Sefardische) Joden en moslims in het eigen land. Joden en moslims hadden eeuwen lang veilig in Spanje naast elkaar gewoond. Daar kwam nu een verandering in via de Spaanse inquisitie. Ze werden vermoord (joden), het land uitgezet of ze moesten zich bekeren (Moren). In de 16e eeuw nam Europa meer afstand van de  agrarische economie.

De nieuwe ontdekkingen, nieuwe technologie bracht voorspoed en een positieve kijk op de toekomst met zich mee waaraan religie zich moest aanpassen. In de 17e eeuw stonden de Nederlanders aan het begin van het westers kapitalistische systeem (uitvinding van Naamloze Vennootschappen, VOC) dat we nu wereldwijd karakteriseren als het kapitalistische systeem. De eerste centrale bank wisselbank werd in Amsterdam opgericht. Hierdoor konden internationale betalingen makkelijk verricht worden. Amsterdam werd wereldwijd de belangrijkste handelsstad waar men op de beurs internationale producten kon verhandelen.

Handelaren en burgers kregen hierdoor meer economische en politieke macht waardoor de macht van de kerk afnam. De handelaren, bankiers sloten een verbond met de monarchie (absolute vorsten) waardoor er een sterke centraal geleide commerciële economie ontstond. Door handige huwelijken ontstond er een groot Rooms Rijk met grote klassenverschillen die de woede verhaalde op de joodse woekeraars en corrupte priesters die zich verrijkten ten koste van de armsten. Maarten Luther nagelde 95 stellingen aan de deur van de slotkerk en opende de aanval op de katholieke kerk op de verkoop van aflaten. Luthers protestbeweging (Reformatie) kon door de boekdrukpers onder de massa verspreid worden en kreeg daarbij grote aanhang. Ook omdat zijn woord in het Duits verspreid werd en niet alleen in het Latijn. Luther stelde voor om kerk en staat van elkaar te scheiden, omdat het spirituele leven ver af stond van het materiële alledaagse leven. De staat moet zich niet meer bemoeien met heilige oorlogen.

Religie was een persoonlijke individuele zaak. In de 30-jarige oorlog (1618-1648) werd politiek en religie definitief bestuurlijk gescheiden. Er ontstond een liberale seculiere staat. In Europa waren het niet alleen gevechten tussen katholieken en protestanten. Vaak strijden concurrerende stromingen ook samen tegen het centrale gezag of tegen de hoog opgelegde belastingen van de vorst. Ook de Europese vorsten streden weer tegen het centrale gezag van het Habsburgse imperialisme. Het ging meer om geopolitieke macht en economische belangen dan om religie. Soldaten waren meestal ook huursoldaten die streden aan de kant met de hoogste soldij. In 1648 werd de Vrede van Westfalen getekend. Hierdoor werd Europa opgedeeld in kleinere soevereine staten met absolute vorsten en kon het nooit 1 groot Habsburgs Rijk vormen. Een recept voor vele oorlogen tussen staten.

Religie werd hierin opnieuw gedefinieerd. Religie zou steeds meer in de persoonlijke sfeer terecht komen (Johne Locke, Hugo de Groot, Descartes). Daarvoor moest religie begrijpelijk zijn voor elk mens waardoor kerkelijke richtlijnen overbodig waren. Het ging om 5 eenvoudige waarheden: 1) bestaan van de opperste god 2) verering van God 3) aanhouden van een ethische leefwijze en vroomheid 4) afwerpen van de zonde 5) beloning of bestraffing na de dood. Religie was meer een kwestie van een persoonlijke zoektocht en lag niet meer bij een extern gezag. Het was levensgevaarlijk om politiek en religie met elkaar te vermengen. De privatisering van het geloof stond haaks op het opbouwen van een religieuze staat zoals de kalifaat en de machtspositie van de paus.

Amerika het beloofde land

Deze privatisering stond ook in contrast met de religieuze plicht om nieuw gekolonialiseerd land te ontdoen van de ‘wilden (indianen) die het land maar zouden verwaarlozen en het braakliggende land niet omzette in vruchtbare akkers. Het was een taak om het land in Amerika te cultiveren en de barbaren te bekeren of weg te jagen (vermoordden/slaaf maken). Voor de kolonisten (puriteinen) werd Amerika het Engelse Kanaän. Een nieuwe exodus van protestanten naar het nieuw te ontginnen beloofde land.

Deze migranten hadden weinig met democratie, secularisme en egalitarisme. Rijk en arm bestond nu eenmaal. De Franse Jezuïeten waren de antichrist en ze hadden het recht op Amerika omdat ze het zelf bewerkten tot een agrarische economie. God had dit lege onbewerkte land gegeven aan de migranten en dat mocht met geweld voor dit uitzonderlijke (exceptionalisme) volk ingenomen worden. De agrarische economie zorgde tot tenminste 1775 voor een gewelddadige aristocratische gelaagde samenleving zonder al te veel democratie.

Halverwege de 18e eeuw transformeerde de aristocratische gewelddadige opvattingen naar een egalitaire volkse beweging. Dat leidde tot het verwerpen van het Britse aristocratische gezag door de Amerikaanse kolonisten. De woedde laaide op toen de Britten de kolonisten belasting liet betalen voor de koloniale oorlog tegen Frankrijk. De woedde en de nieuwe denkers, geïnspireerd door Locke en Newton, met deistische opvattingen (geen goddelijke interventies) verklaarden in 1776 Amerika onafhankelijk van de Britten (ratificatie door het Continental Congress op 4 juli 1776). De onafhankelijkheidsverklaring opgesteld door Thomas Jefferson, Benjamin Franklin en John Addams (Founding Fathers) was een pragmatische strijd tegen de grootmacht Groot-Brittannië met seculiere verlichte ideeën over mensenrechten, bezit en gelijkheid.

De meerderheid van de Amerikanen waren nog steeds wel zeer gelovige mensen met zeer uiteenlopende geloofsovertuigingen. Maar het vrijheidsdenken werd een van de belangrijkste waarden van de Amerikaanse staat: the land of the free (Vrijheidsbeeld). In het midden van de 19e eeuw transformeerde de seculiere elite naar een meer protestantse massa via de Second Great Awakening beweging: de bekering naar een letterlijke evangelisatie. Deze beweging beroept zich meer op het ‘gezond verstand’ dan op het strikt seculiere verlichtingsdenken. Er kwam een soort paradoxale verlichtingsprotestantisme dat de basis vormde voor de Amerikaanse ethos en begrijpelijk was voor iedereen.

Industrialisatie: centralisatie (Napoleon) versus de opkomst van de natiestaat

In Frankrijk en Engeland werd het verlichtingsideaal al in de 18de eeuw aangewakkerd wat uitmondde in de industriële revolutie. Mensen trokken meer naar de steden voor handel en industrie en verlieten de agrarische gebieden. In 1789 bestormde de burgers de Bastille (Bastogne). De burgerij kwam in opstand tegen de verspillende koningshuis en de aristocratie, die opnieuw zware belastingen aan het volk oplegde. Gelijkheid, vrijheid en broederschap werden de  idealen van de burgerij. De absolute macht van de koning en de katholieke kerk kwam meer bij het volk te liggen. De Franse Republiek werd uitgeroepen. Napoleon Bonaparte kwam aan de macht en riep de burgers van de Franse natiestaat op voor het grootste leger ooit (Napoleon). Napoleon versloeg in korte tijd met veel geweld de de grote machten (Napoleontische oorlogen). Het nieuw gevormde Franse Rijk dat gebaseerd was op centralisme (continentale wetgeving), een agrarische economie (hoge graanprijzen) en vazallen kon de concurrentie met het Verenigd Koninkrijk niet volhouden. Napoleon werd eerst in Rusland verslagen en bij zijn rentree werd hij definitief in Waterloo verslagen door de Britten en Pruisen. Napoleon werd opgevolgd door Koning XVIII. In 1870 werd Frankrijk definitief een republiek.

De agrarische staat werd voor het eerst definitief vervangen door de industriële revolutie in Groot-Brittannië, later gevolgd door Duitsland, België, Nederland, Frankrijk, Japan en de VS. Voor grondstoffen en afzetmarkten waren deze geïndustrialiseerde landen opzoek naar kolonies waar ze goedkope grondstoffen konden exploiteren en goedkope producten konden afzetten, waardoor de lokale economieën in kolonies geen kansen kregen. De lokale (inheemse) bewoners werden zo in een afhankelijke rol gedreven tussen kolonie en kolonisator. Deze seculiere marktwaarden veroorzaakte internationaal veel systematisch geweld en onderdrukking van kolonies. Er kwam een tweedeling tussen het westen en de rest en deze onafhankelijke relatie werd in stand gehouden met veel militair geweld. De expansie van het Britse Rijk zorgde voor een vernedering van de voorgaande religies en besturen (Hindi en islam culturen). Het Britse imperium veroorzaakte een defensieve terugtrekking van hindoes, sihks en moslims, waardoor ze makkelijker tot geweld konden overgaan. Door de mechanisatie uit de industriële revolutie werd het wapengeweld ook geautomatiseerd. De Europese mogendheden konden nu relatief eenvoudig megaslachtingen uitvoeringen binnen de kolonies.

Vanaf de 19de eeuw kwam de natiestaat op die bestuurd werd vanuit centrale staten ingericht op basis van het congres van Wenen (1815). De geïndustrialiseerde staat zorgde voor standaardisatie en eenwording waardoor een collectieve identiteit tot stand kwam. Minderheden moesten verdwijnen of worden uitgeroeid. Die pasten niet in de eenvormige natiestaat. De natiestaat werd in de 19e en 20e een soort van heilige missie. Je moest bereid zijn te sterven voor je volk en vaderland. De Staat kreeg een neutraal, seculier accent om geweld in te dammen.  De natie werd geassocieerd met een heilig, gewelddadig doel waarvoor je moest vechten.

Afschaffing van de slavernij en de Amerikaanse Burgeroorlog (1860-1865)

Amerika had rond 1800 vele slaven uit Afrika geïmporteerd om de productiviteit van de agrarische economie op peil te houden. De noordelijke staten veroordeelden de slavernij op christelijke gronden (gelijkwaardige mensenrechten), maar de zuidelijke staten (South Carolina) dreigden met afscheiding van de unie toen Abraham Lincoln in 1860 voorstelde om de slavernij af te schaffen. Religie speelde bij beide partijen een rol om hun tegengestelde argumenten kracht bij te zetten. Uiteindelijk verloor de confederatie (zuidelijke staten) van de Unie (noordelijke staten) en overwon het nationale trots van de Verenigde Staten (1865). Het nationale gevoel van de Amerikaanse superstaat is nu nog bijna heilig (We are the greatest) en valt sterk samen met het Amerikaanse exceptionalisme. De Verenigde Staten bouwden na de gruwelijke burgeroorlog hun leger fors af. Terwijl de Europese natiestaten met de nieuwe technologie zorgden voor een wapenwedloop tussen de nieuw gecreëerde natiestaten. Die wapenwedloop moest haast wel leidden tot een explosie van geweld en een wereldwijde oorlog tussen staten.

Nationalisme, modernisme en antisemitisme

Otto van Bismarck versloeg met het Pruisische leger in 3 korte oorlogen de Denen, Oostenrijkers en de Fransen en richtte een verenigd Duitsland op (1871). Het nationalisme wakkerde deze oorlogen aan. Uit de wapenwedloop tussen Duitsland (landmacht) en Groot-Brittannië (zeemacht) ontstond uiteindelijk de eerste wereldoorlog. De ontwortelde kosmopolitische joden werden wederom het slachtoffer van de natievorming. Ze hoorden nergens bij en kregen overal de schuld van. In Rusland werden pogroms georganiseerd en in Duitsland kwamen vanaf 1880 antisemitische partijen op. Joden voldeden bovendien niet aan het ‘biologische profiel’ van de natiestaat. Het was een minderwaardig ras. Het antisemitisme versterkte het zionistische gedachtegoed: een veilige thuishaven voor de joden in het beloofde land: Palestina. In 1948 Israël. De Palestijnen werden de nieuwe ontheemden. Het seculier modernisme en de wetenschap brachten allerlei nieuwe theorieën en technologieën voort, waarbij de emotie van de mens en religie een steeds minder grote rol kreeg. Met de industrialisatie ging het al steeds minder om de individuele mens en steeds meer om hogere productienormen om prijzen zo laag mogelijk te houden. Getallen en ratio voerden de boventoon.

De eerste wereldoorlog startte aanvankelijk met veel enthousiasme en euforie onder de bevolking en soldaten. Diepe opgekropte nationalistische gevoelens konden op het slachtveld geuit worden. Mensen konden hun woede over de industrialisatie en het materialisme omzetten in eer en strijd voor het vaderland. Het gaf betekenis aan je leven, broederschap en kameraadschap. Militair was het een opeenstapeling van oorlogsmateriaal uit de wapenwedloop, waarbij nieuwe technologie op het slachtveld getoetst kon worden. De soldaten op het slagveld kwamen er dan ook snel achter dat het strijdveld een groot industrieel modernistisch front was dat uitmondde in een enorme deceptie: een uiterst onmenselijke gruwelijke loopgravenoorlog. Een aanvankelijk optimistische korte strijd werd een uiterst pijnlijke lange deceptie voor de hele wereldbevolking. Een deceptie die diep ingeworteld zat bij de verliezers van de Eerste Wereldoorlog (vernedering, herstelbetalingen, inleven land, trots) en de basis vormde voor een Tweede Wereldoorlog. Het interbellum kun je ook zien als een tussentijdse wapenstilstand.

Religie versus wetenschap

Wetenschap en moderniteit bleken steeds meer te leiden tot gruwelijke gebeurtenissen zoals de Eerste Wereldoorlog. Mensen werden letterlijk kanonnenvoer door de grootschalige inzet van moderne wapens. Deze gruwelijke oorlog zorgde voor fundamentalistisch religieuze tegenbewegingen. De centralisering van de wereldheerschappij en de moderniteit van oorlogvoering leek veel op de apocalyps uit het boek Openbaring (Johannes): de voorbode van de antichrist. De oorlogen ontstonden op basis van het sociaal darwinisme. Het recht van de sterkste wint in een wrede goddeloze strijd. Evolutie stond gelijk aan Satan. Vooral in de Amerikaanse plattelandssteden kregen de fundamentalistische stromingen veel aanhang. De agrarische levenswijze stond onder druk door de seculiere grotere steden. Het modernisme (wetenschap en ratio) zette de fundamentalistische bewegingen onder druk. Maar hoe meer je deze bewegingen onder druk zet hoe sterker ze er weer uitkomen. Veel fundamentalistische christenen geloven sterk in het creationisme. Hoe meer bewijs voor de evolutietheorie, hoe sterker ze het creationisme aanhangen. Een aanval op het fundamentalisme leidt vaak tot terugtrekking, het stichten van nieuwe kerken, bijeenkomsten, tv-zenders etc. en een grote herleving van het fundamentalistische gedachtegoed. In Amerika kwam na de modernistische periode van de jaren ’50 en ’60 de moral majority op (jaren’70). Een beweging die de evolutietheorie afwijst en HIV zag als straf van god. Reagan maakte groot gebruik van deze sterke fundamentalistisch christelijke stroming.

In de islamitische wereld kwam deze klap tussen religie en moderniteit nog veel harder aan. De westerse landen konden zich omvormen tot natiestaten, maar hadden de ‘islamitische’ kolonies langs hele andere rechte lijnen verdeeld. Het Ottomaanse rijk viel uiteen in Franse en Engelse kolonies die allerlei volken met verschillende religieuze stromingen in een gebied begrensde. Seculiere regimes regeerde vaak verschillende religieuze bevolkingen binnen 1 staat. De atheïstische westerse zionistische stroming die de staat Israël oprichtte (Balfour verklaring) ontwrichtte het Midden-Oosten helemaal.

Geen enkele kolonie in het Midden-Oosten kon het juk van de kolonisator afwerpen. Ook omdat de technologische ontwikkelingen uit de moderniteit geïnstalleerd werden door Europese ingenieurs en adviesbureaus. Te voortvarende ontwikkelingen in de kolonies zorgden bovendien voor te veel concurrentie met het westen of een bankroet van het land omdat de staatskas leeg was. De invloed van de westerse regimes op de koloniale regenten bleef enorm groot. Zowel politieke als economische belangen speelden de boventoon. Het nationaliseren van kolonies betekende mindere olie opbrengsten en een minder krachtig Britse marine. In de 20ste eeuw werden de kolonies min of meer onafhankelijk, maar droeg de kolonisator de macht vooral over aan ‘bedenkelijke’ regenten. Vaak seculiere dictatoren of leger officieren die aan de macht kwamen na een staatsgreep op een democratisch verkozen regering. Deze seculiere staatsgreep ging vaak gepaard met veel geweld, verplichte modernisatie, gevolgd door onderdrukking van een  islamitische bevolking. Kemal Ataturk (1881-1938) was bijvoorbeeld de stichter van de modernistische seculiere republiek Turkije. Ataturk werd in het westen gezien als verlicht moslim, maar de bevolking had niets met een leider die de Sharia afschafte en het kalifaat een nietszeggend instituut vond. De eerste genocide van de Armeense  christelijke Turken (1915) vond plaats door seculiere Turken die streefden naar een zuivere Turkse natiestaat. Etnische zuiveringen liepen parallel aan de seculiere vorming van de natiestaat. De voormalige provincies (islamitische kolonies) kregen voortdurend te maken met seculier geweld uit het westen of dictatoriale marionetten regeringen uit het westen, die de religieuze bevolking beroofde van hun spiritualiteit. Het zorgde voor een zeer langzame overgang naar moderniteit met veel verzet van de religieuze bevolking.

Nu zien we dat nog steeds terug in de moeizame of mislukte Arabische Lente. ‘Modernisering kon alleen plaats vinden als je ook spirituele hervormingen toepast. Daarmee slecht je de kloof tussen de rijke Britten en de arme Egyptische arbeiders.’. Aldus Hassan Al-Banna (oprichter van de Moslimbroederschap). De Moslimbroederschap bracht  traditionele islamitische waarden in een modernistisch jasje. Maar de beweging werd ook als bedreiging gezien voor de regering. Bovendien kreeg de Moslimbroederschap een anti-intellectuele terroristische vleugel na de oprichting van de staat Israël.

De Palestijnse onderdrukking van de zionisten werd het symbool van de gehele westerse onderdrukking op de islamitische religie. Agressieve uitlatingen van zowel Nasser (Egyptische president) op de Israëlische bezetting leidde de Zesde Daagse Oorlog in (1967). Ze veroverden de Golanhoogte in Syrië, de Sinaï woestijn (Egypte), de Westoever en Oost-Jeruzalem (Jordanië). Waar de zionisten in het begin nog vooral atheïstische aspiraties hadden (een veilig thuis binnen een eigen staat) sloeg het nu om in een heilige oorlog: Jeruzalem als heilige stad en Israël als het beloofde land. Waar eerst de heilige plaats geen fysieke plek kende werd Jeruzalem en Israël nu verbonden met de eenwording van een heilige natiestaat met een omgrensd territorium.

De staat Israël werd steeds meer een goddelijke identiteit. Met name de Kookisten pleiten voor een algehele heilige Israëlische Staat waarbij geweld altijd goed gekeurd wordt om in aller tijden de heilige natiestaat Israël te beschermen. Annexatie van het Arabische grondgebied was een heilige plicht. Later werkten deze religieuze Kookisten samen met de atheïstische zionisten omdat ze hetzelfde doel nastreefden. Als ‘heilig’ volk waren deze groeperingen niet gebonden aan VN resoluties of het internationaal recht. Israël moest volledig bevrijd worden van alles wat niet joods was en plaats maken voor kolonisten die konden wonen in het ‘lege’ land. De Likud partij zou hierbij helpen, maar trok deze beloften in na de vrede met Sadat en de Camp David akkoorden.

In Iran brachten de westerse inlichtingendienst de democratische gekozen Mussadiq ten val omdat hij de Iraanse olie productie nationaliseerde. De westers gesteunde Sjah die geen legitieme bestaansrecht had werd met veel geweld geïnstalleerd. De Amerikanen en Britten beheerden daarmee weer de olievoorraden en handelsconcessies in Iran. De sjah stelde de geheime politie (SAVAK) in met behulp van de CIA en Israëlische Mossad. de sjah bracht een modernistisch kapitalistisch systeem waarvan een aantal al rijke Iraniërs en stedelingen al profiteerden. De grote islamitische agrarische samenleving had er weinig aan. De modernisatie zorgde alleen maar voor grotere verschillen tussen arm en rijk en een vernietiging van de agrarische economie. De ayatollah Khomeini (sjiiet) verzette zich in 1963 al tegen het modernisme van de westerse mogendheden. Nadat hij 2 gevangen gezet werd door de SAVAK verklaarde hij dat de sjah en Iran niets anders waren dan een Amerikaanse kolonie. Iran was een rijk land met vele armen onder de bevolking. Khomeini riep op tot algehele rechtvaardigheid en gelijkheid in plaats van ongebreidelde welvaart door het kapitalistisch imperialisme (vergelijkbaar wat de paus ook doet). In Latijns-Amerika kwamen de bevrijdingstheologieen op. De armen moesten de bijbel lezen en een oplossing vinden voor het systematische geweld.

Jezus stond aan de kant van de armen en onderdrukten. Ook deze priesters werden gezien als communisten en werden door de elite gevangen genomen en gemarteld. Het verzet tegen het koloniale westen werd hardhandig de kop ingedrukt. Er kwamen allerlei revolutionaire linkse bewegingen op die zich verzette tegen de westers koloniale dominantie. Maar eind jaren ’70 was de stemming grotendeels omgeslagen. De religieuze bewegingen kregen een rechts conservatief karakter (Paus Johannes Paulus II en de major majority in de VS). Maar in Iran groeide de ontevredenheid over het niet democratische gewelddadige regime van de sjah. In de gevangenissen werden duizenden politieke gevangen gemarteld of gedood. Demonstranten werden neergeschoten door het leger of geheime dienst. Het tij keerde in 1979 tijdens een mars van 2 miljoen mensen met groene, rode en zwarte vlaggen protesteerden tegen het regime. De sjah vluchtte naar Egypte en in februari keerde Khomeini terug uit Irak naar Teheran. Het was een overwinning van de sjiieten (revolutionaire garde) op het rationele seculiere regime van de westers imperialistische dictatuur. Het voelde als een religieuze bevrijding.

Direct na de instelling van het revolutionaire regime ontstonden er onrusten uit verschillende stromingen (marxisten, seculieren, liberalen). Bovendien viel het Iraakse leger (Saddam Hoessein) Iran binnen. Ondanks een hoge werkloosheid en decennia lange oorlog met Irak ontving Khomeini veel bijval bij het grootste gedeelte van de bevolking. In het westen hadden revoluties altijd secularisatie beoogd naar een rationele modernistische periode. De Iraanse revolutie was precies omgekeerd gegaan. Het westen kon niet begrijpen dat ze dat te danken hadden aan een westers extern opgelegde dictatuur, die ironisch gezien niks te maken had met democratie. Die dictatuur met westerse waarden deed afbreuk aan de religieuze opvattingen van een bevolking die vooral last had van modernisatie. Een agrarische samenleving moderniseer je niet van buitenaf met geweld en pressie. Bovendien hadden de Amerikanen toegang tot goedkope olie via de seculiere sjah die de opstandige massa met harde hand onderdrukte. Dat was onverenigbaar met een Amerikaanse president (Carter) die als vrome christen predikte over mensenrechten. Je geeft daarmee een paradoxaal beeld.

Opkomst religieus terrorisme

Het woord terrorisme is bij voorbaat al lastig definieerbaar, omdat het geopolitiek en emotioneel enorm beladen is en samenvalt met andere termen zoals oorlogvoering. Meestal wordt terrorisme in algemene termen gezien als doelbewust gebruik van geweld, of een dreiging daarmee, tegen onschuldige mensen met als doel hen angst aan te jagen en tot actie te brengen wat ze anders niet zouden doen of voor zouden kiezen. Wel gaat terrorisme altijd over macht. De terroristische aanslag op Sadat (1973) was een aanslag op de westerse progressieve waarden, maar de Arabische landen, de lokale kooplieden en de bewoners in Caïro zagen de aanslag als een bevrijding en een regime change van het westerse juk (gevangenschap islamisten, leed van Egyptische moslims etc.). Zij hadden helemaal niet geprofiteerd van het westerse kapitalisme. Huizenprijzen werden te hoog voor de lokale bevolking en lokale handelaren konden niet concurreren tegen de goedkope geïmporteerde westerse goederen. De seculiere staat beloofde universitaire onderwijs, maar uiteindelijk kon je niks meer verdienen dan een dienstmeisje. Ook onderdrukte Sadat steeds meer religieuze gevoelens en gedachten die een bedreiging konden vormen voor zijn regime. Sadat was alleen in naam een moslim maar voerde gewoon het westerse imperialistische beleid uit. De invoering van het modernisme werd door de ware moslim ervaren als de evolutietheorie voor de ware christen: het was een klap in het gezicht.

Wereldwijd werd de agrarische religieuze economie ingehaald door het imperialistische modernisme van de seculiere wereld. Alleen een teken van god en een wonder zou nog kunnen helpen, als moslims het initiatief zouden herpakken. In Egypte bleef deze ingreep uit, want Moebarak bleef via de westerse mogendheden nog 30 jaar dictator in Egypte. In Libanon werd de sjiitische factie militant door de ontwrichting van het land en de grote verschillen tussen rijk, arm sjiitische, soennitisch en christelijke stromingen. Bovendien waren ze in oorlog door de komst van de PLO in Zuid-Libanon, hierdoor kregen ze voortdurend te maken met vergeldingsbombardementen van Israël. Het martelaarschap kreeg hierdoor een steeds grotere betekenis. Door niks te doen win je geen strijd en door de strijd te verliezen blijf je zwak. Geschiedenis wordt geschreven door de sterken. Nieuwe technologische middelen en wapens konden nu gebruikt worden. In 1979 werd de Hezbollah (partij van God) met Iraanse financiering in Libanon opgericht. Begin jaren ’80 volgden de eerste aanvallen op Amerikaanse en Israëlische doelen. De meeste aanslagen werden gepleegd door Libanese secularisten. De zelfmoordaanslagen werden veroordeeld door de islamitische geestelijken. Er vielen veel burgerslachtoffers en het verdeelde de sjiitische gemeenschappen. Hezbollah veranderde strategie en vormde zich om tot politieke partij. Het veranderde van destructieve militie naar een constructieve politieke partij die de woede over het imperialisme omzette naar constructief verzet en alternatieven voor het westerse model. Omgekeerd beraamden joodse terroristen een aanslag voor om de rotskoepel op te blazen. Wat zou leiden tot een apocalyptische derde wereldoorlog. Zeker in een tijd waar de Sovjet-Unie de Arabische landen steunden en Amerika en het westen volledig achter Israël stonden. De beweging Getrouwen van de Tempelberg hebben al een ontwerp gemaakt als de Rotskoepel vernietigd zou worden. Een regelrechte provocatie aan de Arabische staten en het islamitische geloof. Veel (vooral zionistische) joden geloven nu dat de wereld de joden tijdens de Holocaust niet hebben kunnen beschermen waardoor de Israëli’s wel een sterk leger nodig hebben om hun land zelf te verdedigen.

Tijdens de eerste intifada (1987-1993) spoorde de jonge seculier Palestijnen een groot deel van de bevolking op om zich te verzetten tegen de bezetting. Fatah was een corrupte en inefficiënte tak van de PLO. Het westen zag eerst Israël als David vechtend tegen de reus Goliath (de omringende Arabische landen). Nu was dat beeld omgedraaid. Het machtige Israëlische leger vocht tegen stenengooiende vrouwen en kinderen. Het leidde tot onderhandelingen tussen Yassin Arafat en Rabin. In 1993 werden de Oslo-akkoorden getekend waarin de PLO het bestaan van Israël erkende binnen de grenzen van 1948. De PLO zou de opstand beëindigen en Israël zou de Westoever en de Gazastrook overdragen aan de Palestijnen. De kookisten konden deze onderhandelingen niet verkroppen en schoten de premier dood tijdens een vredesoverleg in Tel Aviv. Door het succes van de intifida scheidde de Hamas (enthousiast vuur) zich als militante verzetsbeweging af van de PLO. Jonge mannen streden zowel tegen de PLO als tegen de Joodse bezetter en hadden meer affiniteit met het egalitaire ethos van de Koran dan de seculiere PLO. Tijdens de tweede intifida nam het geweld van beide kanten explosief toe.

Hamas pleegde zelfmoordaanslagen uit zelfverdediging en het Israëlische leger bombardeerde en elimineerde Palestijnse leiders uit zelfverdediging. Vanaf 2005 ligt de focus op het militair apparaat in Gaza en zien ze af van zelfmoordaanslagen. Tussen 1980 en 2004 hadden de meeste zelfmoordaanslagen een overwegend seculier doel, waarbij het een politiek effect uitlokt op een militaire bezetting. De meeste zelfmoordaanslagen in Israël werden gepleegd op militaire doelen. Terroristische aanslagen worden door het westen ook gezien als ultieme mensonterende daad. Dat het doden van onschuldige slachtoffers gruwelijk is klopt. Maar dat geldt net zo goed voor onschuldige burgerslachtoffers die omkomen bij drone aanvallen of bombardementen in oorlogen. Maar dan noemen we (het westen) collateral damage of incidenten. We wuiven deze net zo onschuldige slachtoffers weg via een dubbele moraal. Dat komt ook omdat terrorisme een uiterst politieke term is. Joodse aanvallen op Palestijnen noemen we geen terroristen. Als we niet precies weten aan welke kant een strijdende partij staat, noemen we ze rebellen. Staan zelfmoordplegers aan jouw zijde zijn het verzetshelden. Bovendien zijn westerse levens veel meer waard dan niet westerse levens in ons westerse perspectief.

Wereldwijde jihad

Begin jaren ’80 trok een stroom jongemannen uit de Arabische wereld naar het noordwesten van Pakistan, dichtbij de grens van Afghanistan om tegen de Sovjet-Unie te strijden. De Jordaans-Palestijnse geleerde Abdullah Azzam had de moslims opgeroepen om zij aan zij te vechten met de Afghaanse broeders: de Moedjahedien. In 1984 arriveerden rekruten uit Saoedi-Arabië, Jemen, de Golfstaten, Egypte, Soedan, Indonesië, Filipijnen, Maleisië en Irak. Osama Bin Laden werd de hoofdsponsor in Peshawar. Hij verzorgde de rekrutering, gezondheidszorg, voedsel, onderdak voor vluchtelingen en Afghaanse wezen. Reagan en zijn vrome katholieke CIA directeur William Casey steunden de Moedjahedien ook tegen de atheïstische communisten. Jaarlijks kregen de Afghaanse guerrilla strijders 1.2 miljard dollar van de VS, Saoedi-Arabië en de Golfstaten om te vechten tegen de Sovjet-Unie. Azzam predikte de leer van de strijd die niet zonder bloedvergieten en martelaarschap kon gaan en door modernisering verplicht was voor elke moslim.

Osama Bin Laden was zijn student en Afghanistan was het brandpunt van het nieuwe islamisme. Saoedi-Arabië verkeerde daarbij in een paradoxale situatie: aan de ene kant had het zeer sterke banden met de Verenigde Staten vanwege de oliebelangen, aan de andere kant vertegenwoordigde het een zeer orthodoxe islamitische stroming: het wahabisme. Daarmee verwierpen ze ook alle andere islamitische vormen zoals het sjiisme, soefisme, fasafah en de figh. Het Wahabisme mondde na enige tijd uit in een agressieve sekte waarbij ze andere moslim stromingen uitsloten of als ongelovige zagen. Door de oliecrisis, hoge olieprijzen en forse olie opbrengsten kon het Wahabisme zich grootschalig verspreiden en Saoedi-Arabië (een land met relatief weinig inwoners) werd een van de belangrijkste moslim landen ter wereld (met de vestiging van de Wereldliga van moslims). Dat bracht tegenwicht tegen het machtige sjiitische Iran. De oliedollars en het bondgenootschap verstevigde de positie tegen Iran. Het Wahabisme spreidde uit naar Egypte, Indonesië, Midden-Oosten, Afrika, VS en Europa via moslimgemeenschappen, bouw van moskeeën en gratis onderwijs voor de armen. Omdat Saoedi-Arabië nooit gekoloniseerd was bekommerde het zich meer om de pan-islamitische ideeën en het leed van de moslims op internationaal niveau, zoals de Joods-Palestijnse kwestie. Dat maakte de deelname aan de internationale jihad groter. Bovendien leidde het af van het binnenlandse Saoedische beleid.

De Moedjahedien bepleitte de strijd tegen de Sovjets in hun voordeel en in 1991 klapte de Sovjet-Unie in elkaar. De politieke islam kreeg een enorme boost en andere onderdrukte moslims konden nu elders bevrijd worden. Bin Laden richtte na de overwinning in Afghanistan Al Qaida (de basis) op. De jihad strijders trainde in de kampen van Al Qaida. Andere lokale leden sloten zich aan bij lokale moslimbewegingen in de strijd tegen Rusland (Tjsetsjenie), tegen de Serviërs in Bosnië (onderdrukking moslims door Milosevic in concentratiekampen). Bin Laden bood het Saoedische regime assistentie aan na de inval van Saddam Hoessein in Koeweit. Maar Saoedi-Arabie koos voor de steun van de Verenigde Staten. Osama Bin Laden keurde de aanwezigheid van Amerikaanse troepen af en vervreemde zich hierdoor van het Saoedische Koninkrijk. Tijdens zijn verblijf in Soedan financierde hij de Afghaans-Arabische projecten. In 1996 keerde Bin Laden terug naar Afghanistan waar de Taliban aan de macht gekomen was. Afghanistan en Pakistan liep vol met geld en extremisten die bewapend waren met de meest geavanceerde wapens. De losse extremistische groeperingen, anti sjiitische talibanstrijders, de koude oorlog en de clash tussen de politieke grootmachten (Saoedi-Arabië / Iran) veroorzaakten een burgeroorlog in Afghanistan.

De Taliban was afkerig van elke vorm van moderniteit en centraal bestuur. In de jaren ’90 boekte Al Qaida nauwelijks successen, ook de politieke islam boekte forse verliezen. De jihad zou alleen herleven met een spectaculaire actie op het wereldtoneel die de aandacht van de hele wereld zou trekken. In 1996 beschuldigde Bin Laden de Verenigde Staten en Israël (kruisvaarders en zionisten) van agressie, onrechtvaardigheid en onrecht tegen de moslims en veroordeelde de Amerikaanse militaire aanwezigheid op het Arabisch Schiereiland die gelijkgesteld werd aan de Israëlische bezetting van Palestina. Bin Laden stelde de Amerikanen voor als primaire vijand van de moslims en niet de Russen. Ook moesten de jihadisten de vijanden op het vijandelijke grondgebied aanvallen. Er moest bovendien meer aandacht komen voor het internationale leed dat moslims te verduren kregen. Dit verantwoordde een defensieve aanval op de vijand. Ook waren de moslims gevoeliger voor samenzweringen. Historisch gezien werden ze ook vaak ingesloten door vijanden die tegen de moslims samen zweren. Bovendien hadden ze niet altijd toegang tot alle beschikbare informatie. Toevallige rampen konden alleen te verklaren zijn door verschillende complottheorieën. Ook werkten verschillende regenten samen met de westerse grootmachten tegen de bevolking.

Vanaf 1999 kon Al Qaida (de basis) beschikken over de juiste rekruten voor een spectaculaire aanval op Amerika. De rekruten (waaronder Muhammed Atta) waren opgeleid in Europa in technische studies en konden snel de weg vinden in de Amerikaanse samenleving en volgde daar vliegcursussen. Ze waren lid van de Hamburgcel. Hun kennis over de islam was beperkt en zeer selectief. Als ze de volledige Koran gelezen hadden of de leer van het wahabisme dan hadden ze het geweld en het terrorisme afgekeurd. Met de aanslagen op 9/11 begonnen de nieuwe kruistochten onder bevel van George W. Bush (jr.). Operation enduring freedom: een vertegenwoordiging van de waarden van alle vrije volken met een aanval op de Taliban. Het was geen religieuze uitspraak, het ging niet om de islam, maar de gedachtegang was wel degelijk religieus: een apocalyptische oorlog tussen goed en kwaad. Een war on terror die de Amerikaanse hegemonie had uitgedaagd.

Het neoconservatieve gedachte om overal ter wereld de vrije markteconomie op te dringen vormde een soort geloofsijver  die als een evangelie uitgedragen moest worden. De soldaten in de war or terror maakten zich tegelijkertijd schuldig aan allerlei oorlogsmisdaden (schending van Geneefse Coventies) die ze zich konden veroorloven (dachten ze) omdat ze streden tegen terroristen. Het aantal burgerslachtoffers liep enorm op. Na 3 maand waren er evenveel burgerslachtoffers als slachtoffers van de 9/11 aanval. Tussen 9/11 en de aanval op Irak in 2003 volgde een tweede golf aanslagen van Al Qaida. Toen de situatie leek te verbeteren vielen Amerika en Groot-Brittannië Irak aan onder het mom van massavernietigingswapens in Irak en steun aan Al Qaida. Deze wapens werden nooit gevonden en Saddam Hoessein was een gruwelijke dictator, maar steun aan Al Qaida had hij nooit verleend. Wel drong hij Irak een vrije markteconomie op, vrije toegang tot oliebronnen en markten en een democratische pro westerse Arabische staat. De Irak oorlog eindigde vrij vlot, maar het Amerikaanse leger had zich ook veelvuldig schuldig gemaakt aan vernedering en ontmenselijking van Iraakse krijgsgevangen in o.a. de Abu Ghraib gevangenis.

De ‘heilige’ Amerikaanse oorlog zorgde dat de Amerikanen zich als god voelde en ver boven de ‘dierlijke’ terroristen in Irak stonden. De Irakezen voelden zich totaal niet bevrijd. Het land verkeerd tot op heden in grote chaos die nog verder gaat dan het Saddam regime. De Amerikanen waren alleen geïnteresseerd in een strategische positie in Irak, de olie en de westerse bedrijven die daar een afzetgebied konden krijgen. Het land werd na 2004 geteisterd door nieuwe zelfmoordaanslagen met vooral veel autobommen.

Momenteel streeft ISIS (een aftakking van Al Qaida) in Irak en Syrië (massale burgeroorlog) naar een groot kalifaat, waarbij extreme vormen van geweld worden toegepast. Het geweld van terroristen werd niet alleen gekweekt in de trainingskampen van Al Qaida, maar vond nu ook plaats in de westerse landen via de sociale media (de moord op Theo van gogh en de Britse soldaat Lee Rigby). Deze freelance terroristen (homeground terror) hebben weinig kennis van de koran en zijn meer uit op aandacht, zingeving en komen soms uit een achtergestelde buurt met veel minderheden, maar soms ook niet. Velen proberen te ontsnappen uit de zinloosheid van het bestaan, omdat ze geen werk of toekomst hebben, kan terrorisme een bepaalde vorm van zingeving geven. ISIS probeert met zoveel mogelijk fysiek en visueel geweld de wereld angstig te maken. Ook refereren ze naar de Amerikaanse overheersing (Oranje pakken Guantanamo bay) en keren ze terug naar middeleeuwse en religieuze executies (gevangenen in kooien verbranden en verdringen, kruisigingen, onthoofdingen).

Conclusie: religie valt niet per definitie samen met geweld, maar is ingebed in de economische en geopolitieke context

Religie kan alle kanten op gaan en heeft geweld niet als gemeenschappelijke deler. Religie is eerder paradoxaal. Aan de ene kant wordt liefde, barmhartigheid en gelijkheid gepredikt (Jezus, oemma, Confucius, Taoisten, Ghandi, Bhudda) aan de andere kant strijd, het ware geloof, hebzucht, materialisme en uitbreiding  van het rijk. Op basis van dezelfde schriften kon men tot een totaal andere interpretatie komen. De invulling van de jihad als innerlijke strijd op basis van persoonlijke ontberingen of het uitroeien van je tegenstander zijn nogal grote verschil. Yoga heeft in onze beleving een hele andere betekenis gekregen. Het heeft nu te maken met het vinden van innerlijke rust (heel populair in een neoliberale darwinistische samenleving van burn outs en concurrentie), maar voor de Arische Indus stammen ging yoga vooraf aan de strijd met andere stammen. In de Thora straft keer op keer het Joodse volk af omdat ze te veel geweld gebruiken, ze zichzelf verrijken en andere goden afbeelden. De Deuteronomisten (geweld) hadden een totaal andere opvatting over de Joodse leer dan de Judeeers (schrappen van geweld). In bijna elke religie komt deze paradox terug. Tot aan de moderniteit waren religie en politiek inherent aan elkaar verbonden. Pausen hadden een geopolitieke functie en koningen werden gezien als halfgoden. De creatie van een staat was altijd verbonden met geweld omdat je agrarische overschotten moet afdwingen met geweld om een religieuze staat op te bouwen. Zonder agrarische overschotten kun je geen religieuze elite opbouwen. Religieuze egalitaire doelen (Jezus, oemma) beginnen met het afzweren van geweld en commerciële ongelijkheid (verschillen rijk en arm) maar mondden uit in grote imperia, met grote hiërarchische verschillen, elites en een groot militair apparaat. De pax christiana, de pax romana, de pax islamica, de pax persiana zijn allen grote rijken, afgedwongen met geweld, militaire middelen, maar begonnen met egalitaire en barmhartige uitgangspunten.

Pas in de 17e en 18e eeuw werd in het westen religie los gemaakt van de staat. Het westen veranderde definitief naar een commerciële economie. Via de reformatie vond scheiding tussen kerk en staat plaats. Religie werd meer geprivatiseerd (liberalisering). De industriële revolutie zorgde voor de modernisering van de natiestaat, maar tegelijkertijd  ook voor een grote klassenstrijd tussen arm en rijk. De verering van de natie, het eigen volk kreeg bijna een heilige betekenis en de wetenschap bracht nieuwe ideeën over minderwaardige rassen gebaseerd op het sociaal darwinisme en de evolutietheorie. Het leidde tot kolonisatie, ongelijkheid, etnisch zuiveringen en je tegenstander afschilderen als onmensen, barbaren of wilden. De imperialistische seculiere opvattingen van de kolonisator botsten met de religieuze traditionele inheemse bevolkingsgroepen. De explosie van geweld ontstond steeds als groepen zich bedreigd voelen (angst voor moderniteit) door politieke en economische (kapitalisme) spanningen uit het westerse imperialisme. Religie kan daarin een dempend of stimulerend effect hebben afhankelijk hoe je het schift (selectief) leest. De uitwassen van het hedendaagse moslimfundamentalisme baseren zich op een zeer selectieve en paradoxale lezing van de Koran. In werkelijkheid zijn het nauwelijks religieuze strijders, maar zetten ze zich politiek af tegen het westerse imperialisme, het mondiale kapitalisme en voelen ze zich verbonden met de Palestijnse kwestie en de wereldwijde vernedering van moslims op zowel politiek als economisch terrein. Bin Laden kon die woede makkelijk uitbuiten. Het imperialistische westen (VS, Groot-Brittannië) heeft die woede  beantwoord met militair geweld, waardoor we nu in een spiraal van geweld terecht gekomen zijn. We zien het geweld van moslimfundamentalisten alleen in relatie met religie, maar ontkennen de overige relaties met politiek en economie.

 

 

 

 

 

Advertenties