neoliberalisme en vrije markt: het nieuwe geloof in de meritocratie en de ‘heilige’ vrije markt

Fukuyama: End of history, de utopie van een meritocratie en het heilige geloof in marktwerking.

Na de val van de Berlijnse muur eind jaren ’80 bleef er volgens Fukuyama 1 dominante ideologie over: het geloof in de vrije markt, het geloof in de macht van het individu en het geloof dat het individu alles kan worden en bereiken wat het wil.  De  mogelijkheden zijn grenzeloos als je maar wil. Het individu en het leven is maakbaar als je maar wil. Niet god bepaalt jouw levenspad, maar jijzelf bepaalt jouw eigen levenspad. Lukt het niet, dan is het uiteraard wel volkomen je eigen schuld, want ja, dan had je maar meer je best moeten doen. Je bent wel verplicht om mee te geloven in de meritocratie. Doe je niet mee aan dit geloof dan kun je flinke sancties verwachten. Je wordt gekort op je uitkering of je moet je bestaansmiddelen inleveren.  De overheid is ultiem wantrouwend geworden tegen mensen die niet mee gaan in het geloof van het beste uit jezelf halen. Je moet jezelf zo goed mogelijk in de markt verkopen, 4x per week solliciteren op banen die er niet zijn, aan allerlei trainingen meedoen die nergens toe leiden en meedoen aan alles wat de overheid je vertelt te doen om maar die ene baan te bemachtigen.

zelfrespect van werklozen onder druk

http://www.npo.nl/de-monitor/11-10-2015/KN_1673045

Lukt dat niet dan ben je een loser, uitgerangeerd en dan heb je het echt wel aan jezelf te danken. Nu al zien we dat bepaalde gemeenten (Apeldoorn) met nota bene een PvdA wethouder onder het motto re-integratie, bijstandsgerechtigden zoveel mogelijk vernederen met onzinnig inpak- en knutselwerk. Werk je niet mee dan moet je het maar zelf uitzoeken. Dan kun je een uitkering vergeten en ben je aangewezen op voedselbanken of de straat. Je kunt fluiten naar je basisvoorzieningen en dwangarbeid wordt wel degelijk ingevoerd in Nederland.

Met re-integratie heeft dit beleid allang niks meer te maken. Het ironische is dat het ook nog eens heel erg anti-liberaal is met een enorme verspilling van middelen (controle, ambtenaren apparaat, arbeidsconsulenten, beleidsmedewerkers, Wmo-consulenten). Geld dat allemaal weggegooid wordt om maar een heel klein deel van de welwillende doelgroep (die anders waarschijnlijk ook al aan het werk zouden komen) aan het werk te krijgen. Geld dat je veel beter kan investeren in innovatie, duurzaamheid, scholing en technologie. Geld stoppen in betutteling is de slechtst denkbare investering die je ooit kan doen. Toch doen we het momenteel op grote schaal. Je kunt misschien je geld nog beter door het toilet spoelen. Dan heb je de negatieve effecten in ieder geval niet. Hoogstens een verstopt toilet. Daarnaast pak je burgers die al in een zwakke positie zitten de keuzevrijheid af door  onzinnig werk verplicht te stellen. Laat burgers die bijna allemaal willen participeren zelf kiezen waarin dat is. Veel burgers zitten zonder eigen toedoen thuis vanwege de crisis (ontslag of faillissement). Burgers die dolgraag iets willen betekenen voor de maatschappij, maar haast geen activiteiten mogen ontplooien van de overheid. Het moet namelijk meteen economische waarde opleveren, anders heeft het geen nut (althans dat is het dogma). Het wantrouwen van de overheid leidt tot bizarre situaties als het niet meer mogen zorgen voor je kleinkinderen (moeder Lange Frans, uitzending monitor) of oppassen met het leveren van zorg aan je medemens (want ja dat kan ook betaald). Het is een heel eenzijdige kortzichtige blik op waarde en waardigheid van mensen. Je wordt eigenlijk buitenspel of onder druk gezet als je niet voldoende economische waarde kan produceren. Terwijl je op een andere wijze voor de maatschappij ook waarde kan creëren (zorg, boodschappen, kennis, iemand gelukkig maken, maatjesprogramma’s, koffie schenken, een luisterend oor aanbieden, iemand helpen bij het regelen van financiële zaken of de computer etc.). Sterker nog het op korte termijn snel creëren van economische waarde zorgt wellicht eerder voor het afbreken van maatschappelijke waarden. De bankensector is daar een goed voorbeeld van. Maar de meeste mensen die heel snel rijk willen worden dragen vaak het minst bij aan de maatschappij zelf. De vraag is of de overheid die kant op wil.

Afbeeldingsresultaat voor bankiers maatschappelijke waarde

De overheid pakt eigenlijk al je keuzemogelijkheden af. Verplicht dom werk doen of je bestaansmiddelen inleveren lijkt mij dan ook geen keuze. Het is moderne slavernij, levert vooral heel veel stress op en is enorm paternalistisch. Je werkt niet meer voor loon, maar voor je bestaansmiddelen.

Met re-integratie en zelfontplooiing heeft het in ieder geval niks te maken. Het zal eerder de weerstand op arbeid vergroten. Zeker onder middelbaar en hogeropgeleiden. Je zult je diploma of bul gehaald hebben en daarna direct verplicht gesteld worden om paperclips in te pakken. Wat voor signaal geef je dan af over de arbeidsmarkt en overheid? Is dat een maatschappij waar we naar toe willen? We tuigen een heel duur, controlerend systeem op om maar te voldoen aan het neoliberale paradigma (dogma) dat we allemaal moeten presteren en directe economische waarde moeten leveren in de maatschappij. Je bent al snel een profiteur of nietsnut als je geen economische waarde levert.

http://www.volkskrant.nl/opinie/met-gratis-geld-loont-werken~a4036089/

De economische situatie van een land (crisis) speelt daarin geen rol. Je zult en moet arbeid leveren al is de werkloosheid nog zo hoog en de de crisis nog zo diep. Of een baan enigszins een beetje bij een persoon past doet er niet toe. We hebben een enorme obsessie gekregen voor het dogma ‘hard’ werken. Wat dit verder voor betekenis heeft doet er verder niet zo toe. Zolang jij maar ‘hard’ werkt kan het niet zijn dat iemand gewoon maar een uitkering ontvangt. We hebben niet meer zo goed door dat in tijden met een beperkt aantal banen hard werken alleen maar leidt tot meer werkloosheid. Je maakt namelijk het totaal aantal banen op met harder en langer doorwerken. Binnen het neoliberale dogma denkt men dat er meer banen komen als men maar hard genoeg werkt. We moeten de koek ‘gewoon’ groter maken en een grotere koek levert meer banen op.

In het neoliberale paradigma gelden blijkbaar andere regels. Neoliberalisme is dan ook een geloof, misschien een utopie: een droomwereld waar de maximale welvaart gerealiseerd wordt wanneer iedereen ‘hard’ werkt. We worden maximaal gelukkig in een wereld van onbegrensde groei, materialisme en kansen voor iedereen als je maar wil. Een wereld waar hard werken de moraal is. Een utopie waarin burn outs en depressies niet bestaan. Of waar je als individu daar zelf verantwoordelijk voor bent. Een utopie waar een eigen huis, auto, mobieltje je status bepaalt. Het is een wereld waarin de negatieve effecten van marktwerking opgelost worden door meer marktwerking (meer pillen voor depressies, je koopt je zorgen weg). Een utopie waarin je dat als individueel allemaal zelf kan regelen. Een wereld waar het draait om rendement, winstmaximalisatie en aandeelhouderswaarde. Het is tevens een wereld waar veel mensen zich niet in thuis voelen. Een harde sociaal-darwinistische wereld waar het niet meer gaat om mensen, geluk en bewondering. Een wereld die zeer gericht is op de ik-figuur: wat zit er in voor mij? Een wereld waar het algemene belang en hogere doelen niet meer centraal staan. Een wereld waarin het ik figuur narcistische trekjes krijgt ten koste van de maatschappij. Belastingontwijking door multinationals een kunst is geworden en je  een koning bent als je je jarenlang verrijkt hebt aan woekerpolissen, onduidelijke financiële producten of het uitbuiten van huurders, scholen en nutsbedrijven.

Het begrip neoliberalisme kent verschillende definities uit verschillende perioden. Vanaf de jaren 80 wordt het begrip gekenmerkt door een sterke mate van privatiseringen, een sterke westerse kapitalistische stroming, deregulering, vrijhandel, toenemende private sector en bezuinigingen. Tussen de jaren 30 en 60 was neoliberalisme een filosofische stroming dat gepaard ging met een gereguleerde markt waarin marktinvloeden gecombineerd werden met overheidsbeleid. Het lag veel meer in tussen het klassiek liberalisme en het socialisme. Het huidige neoliberalisme vanaf de jaren 80 heeft zijn oorsprong in de Chicago School of economics (Milton Friedman en Friedrich Hayek), waarbij het Keynesiaanse model verworpen werd voor het neoklassieke model ten gunste van het monetarisme en staat symbool voor het beleid van Thatcher, Reagan en Pinochet. Daarnaast speelt het individualisme binnen deze stroming een sterke rol. Competitie tussen individuele werknemers, individuele bedrijven haalt het beste in je naar boven. Wat dat betreft kent het een sterk sociaal darwinistische invalshoek. Het recht van de sterkste (best aangepaste). In de jaren 90 is het neoliberalisme en het individualisme nog veel sterker toegenomen. Door deregulering en verruiming van de kredietverlening kon elk individu zijn of haar droom bereiken. De bomen leken tot in de hemel door te groeien. Er was sprake van een oneindig groeiende economie. Iedereen was gelukkig, iedereen had welvaart. Het was alleen welvaart gebaseerd op schuld en krediet. Veroorzaakt door bankiers, bonussen, onbeperkte kredietverleningen en het geloof in de heilige marktwerking.

Na de crisis van 2008 is de argwaan tegen bankiers, managers en de bonuscultuur wel sterk toegenomen. De samenleving pikt dit gedrag van zelfverrijking niet meer. De vraag is of de samenleving ook politiek stemt tegen dit gedrag. Dat lijkt in Nederland nog niet echt het geval te zijn. Het is makkelijk om anderen de schuld te geven, maar het is veel moeilijker om je eigen gewoontes en gedrag aan te passen. De bancaire sector is gewoon weer op de oude voet doorgegaan. Er worden weer ruimschootse bonussen uitgedeeld en zelfverrijking houdt niet op bij het instellen van nieuwe regeltjes. Een cultuur van zelfverrijking en egocentrisme verander je niet zomaar. Zeker niet als de achterbank generatie opgevoed wordt tot prinsjes en prinsessen waarin alles vanzelfsprekend is en alles voor je gedaan wordt en je zelf niks meer hoeft te doen. Deze generatie werd van huis tot school vervoerd op de achterbank van de auto. Is heel beschermd opgevoed en kreeg alles wat het wenste. Niks is te gek, alles draait om het prins of prinsesje en alles wordt gedaan voor het prins of prinsesje. Gezag en hiërarchie bestaat niet meer. Ouderlijk gezag en de strenge vader en moeder werden vervangen door vader als vriend en moeder de vriendin. In een wereld waar geen gezag, regels en orde meer bestaat worden kinderen opgevoed tot narcistische verwende kinderen. Deze kinderen kunnen nauwelijks meer omgaan met tegenslag. Op dit moment zie je dat deze kinderen nauwelijks ontwikkelen. Ze blijven verwende kinderen tot dat ze in de echte wereld terecht komen. Dan lopen ze tegen depressies en burn outs aan.

http://www.trouw.nl/tr/nl/4516/Gezondheid/article/detail/4034677/2015/05/20/Meeste-uitval-arbeidsmarkt-door-psychische-kwaal.dhtml?cw_agreed=1

Ze hebben nooit geleerd hoe de echte wereld werkt en hebben nooit geleerd hoe om te gaan met tegenslag, gezag, autoriteit, verlies en andere waarden. Binnen hun egocentrische wereld stonden zij zelf op de eerste plaats. In de echte wereld is dat heel anders. De egocentrische waarden worden doorbroken en dat kan hard aankomen. Hoge verwachtingen botsen dan met de realiteit van de echte wereld. Dat kan leiden tot depressies en burn outs. Zeker als je overal te horen krijgt dat je het als individu altijd maar kan maken als je maar wil of als je maar hard genoeg werkt.

http://zembla.vara.nl/seizoenen/2015/afleveringen/29-04-2015

In de jaren ’60 ’70 en ’80 hebben veel mensen afscheid genomen van het christelijke geloof en het geloof in de letterlijke waarheid van een christelijke god.  De letterlijke waarheid van de bijbel kreeg een andere invulling. In Europa accepteren steeds meer mensen de evolutietheorie en in Amerika wordt geloof steeds meer verbonden met individuele ontplooiing en keuzevrijheid voor een bepaald christelijk geloof binnen een bepaalde gemeenschap. In Amerika is geloof steeds meer een bedrijf of commerciële activiteit geworden, een commerciële vorm van levensstijl (televisie dominees die miljonair worden, die boeken, cd’s verkopen etc.). De jaren ’60 en ’70 zijn kenmerkend voor een overgang van het modernisme naar het postmodernisme waar de ultieme waarheid niet meer bestaat. Vanuit de wetenschap werd religie bekritiseerd en steeds minder gezien als de ultieme waarheid (Sartre). Het existentialisme (individualisme, verantwoordelijkheid en subjectiviteit) kwam op. Niet de groep, de religie, de staat stond centraal (samen het land weer op bouwen na de oorlog), maar het individu. Het individu had zich ook steeds meer ontplooit tot zelfdenkend kritisch mens (de mondige burger) en door de toenemende welvaart van onder meer de babyboomers kon men zich meer richten op individuele vrijheden, vrije tijdsbesteding, kunst en cultuur. Met de technologische vooruitgang (tv, radio, auto, brommer) was de babyboomer ook niet meer afhankelijk van de groep binnen de eigen zuil. Babyboomers gingen zich steeds meer los maken van de zuil en vonden de bemoeienis van vadertje staat betuttelend. De maakbare samenleving van de staat en de top down planning (de staat weet wat goed is voor u) veranderde in een maakbare individu. Door zelf kritisch na te denken komt u tot de hoogst mogelijke individuele welvaart en vrijheid, los van kerk, staat en samenleving.

Na de Tweede Wereldoorlog droegen de oorlogen van Amerika met Korea en Vietnam bij aan de overgang van het modernisme naar het postmodernisme. Het geloof in bipolaire verhoudingen tussen het westen (kapitalisme) en oosten (communisme) verdween bij een grote groep vooral ‘linkse’ jongeren. De jaren ’70 kunnen ook gezien worden als het einde van de Amerikaanse hegemonie. Economisch stortte het Bretton Wood systeem in (Nixon), militaire verloor Amerika de containment oorlogen met Noord-Korea en Vietnam. In het Midden-Oosten was Amerika afhankelijk en verslaafd geworden aan olie. De OPEC-landen bepaalden nu het aanbod van olie en dus energie in de wereld. Amerika als wereldmacht en mondiale politiemacht brokkelde af. Ook het wereldbeeld van Amerika en Israël goed en Iran, Irak, Korea slecht werd iets minder eenduidig. In de jaren ’60 en ’70 ontstond een pacifistische hippie cultuur die zich zeer sterk tegen wat voor vorm van militaire ingrijpen verzette.

In Amerika vormde de meerderheid van de vaak blanke middelbare gezinnen nog wel de christelijke moral majority. In Amerika geloven de meeste mensen nog steeds in het creationisme, is de evolutietheorie nog lang niet geaccepteerd en speelt geloof in de samenleving nog een hele belangrijke rol. Een atheïstische president is ondenkbaar. Dat komt omdat geloof in Amerika altijd een grassroot beweging is geweest. Het is niet zoals het katholieke geloof van bovenaf gestuurd, maar het wordt overgedragen binnen kleine gemeenschappen. De meer puriteinse republikeinen hebben van oudsher dan ook meer aanhang in dorpen en kleine steden dan de democraten. De meer liberale democraten geloven ook wel in God, maar hebben meestal iets minder orthodoxe opvattingen en zijn meer vertegenwoordigd in grote steden. Dorpen herbergen gemiddeld sowieso meer religieus georiënteerde mensen dan de steden. De traditionele aanhang van het CDA bevindt zich op het platteland. Dat heeft onder meer te maken dat boeren zich afhankelijk voelen van de wil van god over weer, klimaat en land. Rentmeesterschap is dan ook ‘echt’ een CDA onderdeel in het partijprogramma (maar als het er op aan komt in de praktijk valt het wel mee hoe het CDA omgaat met natuur, klimaat en omgeving, paradox tussen economisch gewin boeren en houdbaarheid natuur). De afname van het aantal boeren en de migratie van platteland naar de stad is een van de oorzaken van deconfessionalisering. De kleiner wordende christelijke partijen moesten zich noodgedwongen fuseren tot het CDA. In Amerika blijft het platteland nog steeds erg belangrijk. Er vindt wel degelijk migratie naar de grote steden plaats, maar de invloed en het Amerikaanse kiesstelsel zorgt nog steeds voor invloedrijke dorpen en religieuze opvattingen in de politieke besluitvorming. Al Gore had tijdens de verkiezingen van 2000 in totaal wel meer stemmen, maar verloor door het kiesstelsel toch de verkiezingen van George W. Bush. De winner takes it all. De staat (kiesdistrict) met de meeste stemmen wint het totaal aantal kiesmannen. In Groot-Brittannie (de Angel-Saksische cultuur) werkt dat precies hetzelfde. Cameron veroverde veel meer zetels dan absolute stemmen.

Amerika is het land waar men meer dan waar dan ook gelooft in de de meritocratie: The American Dream. Het is ook het land waar de American Dream meer dan waar dan ook niet uitkomt. In ontwikkelingslanden geloven de meeste mensen niet dat je van een dubbeltje een kwartje kan worden als je maar ‘hard’ genoeg werkt. In Amerika gelooft bijna iedereen dat je door middel van ‘hard’ werken de absolute top kan bereiken. Er is een enorm positief gevoel over hard werken en de top bereiken. Als je ten koste van alles miljarden binnen hebt gesleept zal dat wel komen door hard werken. Boven het maaiveld uitsteken wordt in Amerika als een verdienste beschouwd, het is een echt statussymbool (is na de crisis van 2008 wel enigszins afgenomen). In Nederland leef je meer in een cultuur van ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’. Nederland kent meer een calvinistische inslag. Amerika is het land van de onbegrensde mogelijkheden met een pioniersgeest en kolonistenachtergrond: the land of the free. Geloof speelt dus niet alleen maar een rol in het religieuze leven van Amerikanen, maar is ook heel duidelijk aanwezig binnen de economie en het gevoel dat je het echt kan maken in Amerika, als je maar wil. Het geloof dat Amerika de beste staat en natie van de wereld is, is dan ook heel erg sterk. Dit geloof wordt versterkt door het patriottistische  karakter van Amerika. Amerika is een relatief jonge staat (250 jaar), met een korte culturele geschiedenis. Voor natiebinding kan de Amerikaanse staat slechts teren op de Amerikaanse vlag, Onafhankelijkheidsdag (4 juli), de dollar (als wereldmunt en symbool van hegemonie), het wilde westen (symbool voor de vrije pioniersgeest) en het militaire apparaat in de Tweede Wereldoorlog (veteranen, bevrijden van de vrije westerse wereld). Freedom of speech, eigen verantwoordelijkheid zijn dan ook belangrijke Amerikaanse/westerse waarden. Daar heeft de westerse wereld bloed voor laten vloeien (veteranen Tweede Wereldoorlog, onafhankelijkheidsoorlog, burgeroorlog) en deze waarden zijn ook internationaal vastgelegd in de universele verklaring van de rechten van de mens, tijdens de Algemene vergadering van de Verenigde Naties (1948) onder invloed van de Amerikaanse hegemonie. Naast religieuze en gezinswaarden, patriottisme zijn individuele waarden in Amerika en de rest van de westerse wereld steeds belangrijker geworden.

Vanaf de jaren ’80 is het streven naar eigen individuele zelfontplooiing enorm toegenomen. In de grote steden (Londen, New York) kon je meer dan ooit te voren ‘het’ maken. Status en materialisme gingen steeds meer hand in hand. Stedelijke stadstaten vertegenwoordigen het uiterlijk vertoon van macht, cultuur, status en bezit. Vanaf de jaren ’80 werd het ene kantoor na het andere kantoor in het centrum gebouwd. De financiële sector in het centrum van de stad staat centraal voor de macht van de stad. De plek waar het grote geld verdiend wordt.

City marketing is voor steden steeds belangrijker geworden. Waar voorheen het gezin en de buitenwijk nog belangrijke Amerikaanse en westerse statussymbolen waren, herleefde de invloed van de stad en het centrum als uiting van macht en succes. Nieuwe kantoren, cafés, kroegen, pubs, dancings, bioscopen vestigde zich in de steden (gentrifications).

http://thefutureofwork.eu/?p=19

De belangstelling en herwaardering van het stadscentrum kreeg een nieuwe impuls van de vaak rijke Yuppen of studenten die dichtbij of in het centrum studeren of werken. In de VS bleef deze ontwikkeling wel enigszins uit door de enorme verpaupering van de binnensteden (donut cities), de grote shoppingmalls buiten de stad, de auto als belangrijk statussymbool en de family values in de suburbane wijken of randsteden. Daarnaast investeert de Amerikaanse overheid minder in het centrum, waardoor het centrum vooral bestaat uit een central business district waar verder weinig te beleven is. In Londen zie je dit ook enigszins. Amsterdam en Utrecht, maar ook Groningen zijn voorbeelden van succesvolle stadstaten. Deze steden trekken de omringende dorpen leeg (Groningen) of trekken zelfs studenten en Yuppen aan uit de rest van Nederland (Amsterdam en Utrecht). De levendigheid van de stad, de voorzieningen trekken vooral hoogopgeleide mensen aan. Overal ter wereld zie je dan ook dat de grondprijzen in de grote steden enorm stijgen. Koopwoningen en huurprijzen blijven stijgen in de grote steden. Hierdoor ontstaat een klassenmaatschappij. Alleen hoger en middelbaar opgeleiden met hoge inkomens hebben toegang tot woningen. Dit effect wordt versterkt door de verkoop van sociale huurwoningen. Met de verkoop van deze huurwoningen kunnen gemeenten weer meer voorzieningen realiseren voor de vaak hoger opgeleiden (kunst, cultuur, horeca, toerisme).

Daarnaast versterkt de opkomst van de stadstaat het elitaire idee dat je alles kunt krijgen zolang je maar naar de elitaire stad trekt. Zolang je de huur en de voorzieningen kunt betalen heb je toegang tot alles. Je kunt dus je eigen klasse kopen zolang je maar financieel kapitaalkrachtig bent of rijke ouders hebt. Hierdoor ontstaat ook een strijd tussen de metropool (randstad) en het platteland. Je ziet dit ook enigszins terug in het voetbal. Twente fans hebben een ontzettende hekel aan de arrogante Ajacieden uit de metropool Amsterdam. Almelo fans hebben dan weer een hekel aan de stadse Twente fans. PSV fans identificeren zich met boeren en hebben een gruwelijke hekel aan de stadse Ajacieden. Ajax en Feijenoord vechten om wie het meest stads is. Ajax is de elitaire egocentrische cultuur stad gericht op het individu en Feijenoord versterkt het ‘wij’ gevoel en verbindt zich als stad van de harde werkers (havenarbeiders). Heerenveen en Groningen vechten een strijd om wie het meest ruraal is. Heerenveen en Cambuur vechten een strijd uit tussen de Friese boeren (Heerenveen) en de niet Friese identiteit met de stad Cambuur als typisch niet Friese stad.

Sociaal collectieve waarden op het platteland (onze cultuur) vecht een strijd uit met de neoliberale individuele waarden in de stadstaten (ik ben de beste). Op het platteland is de sociale cohesie onder elkaar veel sterker dan in de stad. De stad bestaat veel meer uit de optelsom van individuen (atomistische gehalte stad). Terwijl het platteland veelal gekenmerkt wordt door het geheel van sociale interacties tussen bewoners, vrijwilligers, voetbalclubs, de buurtsuper, buurthuis, dorpscafé en de overige sociale voorzieningen (gemeinschaft versus gesellschaft, Tonnies). Deze voorzieningen staan door de trek naar de stad en krimp van dorpen wel onder druk. Hierdoor wordt het totale neoliberale karakter van individuele activiteiten en individuele zelfontplooiing versterkt. De individuele ondernemer heeft meer aanzien dan de boer die zorgt voor onze voedselvoorziening. Het platteland als geheel verliest ook aanzien. De hoog opgeleide mensen trekken weg naar de steden (braindrain) en de mensen die niet in staat zijn om te vertrekken blijven. De krimpende dorpen verliezen de concurrentie met de steden waar de voorzieningen dicht in de buurt zijn en meer aanwezig zijn. In Groningen kampen de bewoners in de dorpen met aardbevingen door gaswinning. De bewoners zijn jarenlang misleid door de overheid over de ware oorzaak. Ze zijn niet serieus genomen want het zijn toch maar domme boertjes. En hoe erg zijn die aardbevingen in een dunbevolkt gebied. Als deze aardbevingen in de Randstad hadden plaats gevonden was het een nationale ramp geweest. Nu wordt het weggezet als een regionaal probleem. De regio Groningen moet zich maar ondergeschikt maken aan het grote nationale belang: het spekken van de staatskas en aandeelhouderswaarde Shell. De dorpen worden opgezadeld met de problemen: krimp, wegtrekken voorzieningen, overlast multinationals en de steden krijgen de voordelen: hoog opgeleide mensen, voorzieningen, de lusten van de gasbaten (nationale voorzieningen). Het is dan ook niet zo vreemd dat van nature uit zeer terughoudende Groningse dorpen zich nu massaal verzetten tegen meer gaswinning van de NAM (Shell/Staat).

Op een ander niveau zie je ook een strijd tussen grote winkelketens en kleine eenmanszaken en digitale winkels op internet versus fysieke winkels in de stad. Op het platteland zijn bijna alle winkels al verdwenen (hoogstens een paar buurtsupers of srv wagens). Niet alleen in detailhandel zie je de strijd tussen het neoliberalisme en kleine bedrijven. In de landbouw verdwijnen ook steeds meer kleine boeren omdat ze niet kunnen concurreren tegen de grote fabrieksmatige agrarische industrie (megastallen en grote agrarische concerns). In de jaren ’80 werd de financiële sector door de deregulering steeds groter. Bankiers en financiële dienstverleners stegen enorm in aanzien. Je kon enorm veel geld verdienen in de commerciële en financiële ‘dienstverlening’. Macht en aanzien werd steeds belangrijker gevonden en direct in verband gebracht met materialisme, geld verdienen, dure huizen en woningen. De lager betaalde functies in de reële economie daalden in aanzien. Je moet wel iets goed fout gedaan hebben als je vuilnisman bent geworden. Terwijl een vuilnisman of schoonmaker een groter maatschappelijk nut heeft dan een zelf verrijkende bankier, broker of riskmanagers die met zijn ondoorzichtige financiële producten en woekerpolissen alleen maar parasiteert op de maatschappij. De uniciteit (uniek talent) en de potentiële verdiensten van een baan bepaalt grotendeels je economische meerwaarde. Bankiers konden wegkomen met enorme bonussen omdat ze een bepaald uniek talent vertegenwoordigen. Voetballers, acteurs, zangers, schrijvers in het hoogste segment vertegenwoordigen een bepaalde uniciteit. Tegenover dit unieke talent staat een enorm salaris/bonus. Een bepaalde X-factor bepaalt grotendeels jouw marktwaarde. Jezelf onderscheiden en jouw unieke ik-persoon speelt daarin een grote rol. Wat is jouw meerwaarde ten opzichte van anderen. Hoe verkoop jij je jezelf?

Vanaf de jaren ’80 en ’90 is de entertainmentindustrie steeds groter geworden op de commerciële televisie (RTL4, RTL5, Veronica, SBS6, NET5, FOX). In Nederland begon het eerst met talkshows, soaps (medisch centrum west, GTST, Goudkust, Onderweg naar morgen), kookprogramma’s en vaak veel Amerikaanse series (A-Team, Al Bundy, Baywatch, Miami Vice,  Nightrider, Mcgiver, etc.). Vanuit Amerika hebben we de Amerikaanse cultuur naar Nederland geïmporteerd. Een Amerikaanse cultuur waarbij materialisme, snelle auto’s, mooie vrouwen (uiterlijk), fastfood, kwantiteit centraal staat. Het moet veel, snel en goedkoop zijn. Voor de Nederlander kwamen al deze luxe consumentenproducten bereikbaar. Kon je ze niet betalen dan kon je met krediet (creditcards) of de overwaarde van de woning de consumentenproducten toch betalen. Zo kon ook de Nederlander participeren in  de American Dream. Veel bestedingen waren bovendien goed voor de economie. Zolang je een goed verkopend product had en bleef presteren kon er weinig misgaan. Mensen kochten je producten wel. De economie draaide in de jaren ’90 dan ook op volle toeren. Geld lenen was ook geen enkel probleem. Na de jaren ’90 lag de focus op de entertainment sector steeds meer op het individualisme en concurrentie. Big Brother begon een reality serie waarin de individuele personen uitgelicht werden en met elkaar moesten concurreren om in het huis te blijven. Uiteindelijk bleef er 1 winnaar over. Na Big Brother volgde vele vele vele talentenshows (Idols, Popstars, X-factor, Holland got talent, Voice of Holland, So you think you can dance, etc. etc.). Bijna elke serie of tv-show kreeg een concurrentiefactor of werd het verhaal achter het individu of de strijd tussen individuen uitgelicht. Expeditie Robinson, Expeditie Poolcirkel, Heel Holland bakt, veel kookprogramma’s kregen een concurrentie element: over de kook, topchef, hell’s kitchen, ready steady cook, masterchef etc. Succesvolle programma’s kregen steeds vaker een spin off. Het is blijkbaar goedkoop en nog steeds winstgevend om een format zo vaak te kopiëren en uit te melken tot dat mensen er echt klaar mee zijn. Zolang de kijkcijfers en de advertentie inkomsten hoog zijn blijven we deze programma’s maken. Het veel verkopen en tonen van producten (marketing) speelt een belangrijke rol binnen onze westerse samenleving.  De vraag is of veel spullen verkopen voor winst nu onze belangrijkste westerse waarde is geworden?

Laten wij ons kapen door winstmaximalisatie en is onze westerse maatschappij vooral gericht op het verkopen van zoveel mogelijk spullen of diensten en competitie? Of geven wij richting aan een andere utopie. Een samenleving die gericht is op samenleven, delen van bepaalde normen en waarden en het creeren van basisvoorzieningen voor iedereen: een harmonieuze samenleving waarbij gezond leven en eerste levensbehoeften voor iedereen gegarandeerd zijn.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s