Parasiteren banken op de samenleving?

Parasiteren banken op de samenleving of hebben wij banken heel hard nodig voor onze economie en samenleving? En waar zijn de eerste centrale banken ontstaan en waarom?

 Na de Amsterdamse Wisselbank werden de commerciële banken  en centrale bank opgericht door Koning Willem I in de 19de eeuw (Nederlandsche Handel-Maatschappij in 1824, later de ABN in 1964 en ABN AMRO in 1991). In 1814 stichtte Koning Willem I De Nederlandse bank als centraal geleide toezichthoudende bank voor de verstrekking van kredieten en het circuleren van munten en bankbiljetten. Hierdoor kreeg De Nederlandse Bank het monopolie op het uitgeven van geld.

Door de oorlogen tussen Holland en Engeland en Frankrijk na de 17e eeuw ontstond er een tekort aan belastinggeld en onvoldoende aanvoer van goud en zilver. Er werden andere wegen gezocht voor het invullen van het geldsysteem voor de financiering van oorlogen en grote handelsprojecten. Stadhouder Willem III kon de Engelse troon bestijgen indien hij de heersende bankiers het recht gaf om geld uit te geven via leningen (geldcreatie) via de Bank of England. Deze private bankiers (William Paterson) hadden het alleenrecht om de koning geld te lenen voor het bekostigen van o.a. oorlogen tegen 8% rente. Hierdoor kwam de Engelse Schatkist in handen van een prive-onderneming. Een eerste vorm van privatisering. Omdat er rente geheven werd kon nu vanuit niets geld gecreëerd worden “The Bank hath benefit on the interest on all monies which it creates out of nothing”. Geld kreeg een breder begrip dan alleen goud en zilver. De samenleving en bankiers vertrouwden nu op meer dan alleen goud. Door rente nam de geldhoeveelheid alsmaar toe. Totdat het systeem instortte en men weer opnieuw kon beginnen.

http://www.groene.nl/artikel/geld-uit-het-niets

Op basis van leningen en rente kon de staat nu haar activiteiten financieren en werd het verschijnsel staatsschuld geïnstitutionaliseerd. Het volk (de staat) werd hierdoor schuldenaar aan een klein groepje elitaire bankiers. Momenteel is Londen (the city) nog steeds (wel samen met Wallstreet) het financiële hart van de wereld en het voorbeeld van hoe financiële markten wereldwijd gerund worden.

De financiële markt is enorm gegroeid doordat monopolistische private partijen nu buiten het volk en de staat om extra geld konden creëren. Door de invoering van het private recht (de Royal charter) ontstond een financieel kartel met het monopolie van centrale banken om geld te creëren door leningen (credit) en rente.

Met geld (money) kun je producten en diensten meteen betalen met contant of giraal geld. Kredieten (leningen, hypotheken, creditcards) zijn uitgestelde betalingen. Centrale banken kunnen de geldhoeveelheid aansturen via rente. Daarmee kun je ook de economie beïnvloeden. Een economie heeft normaliter baat bij stabiele prijzen. Dat betekent dat de geldhoeveelheid gelijk moet zijn aan de productie of het aantal transacties. Te veel geld zorgt voor inflatie. Te weinig geld zorgt voor deflatie en depressies. Het is dus verstandig om de geldhoeveelheid bij een onafhankelijke instelling te leggen, met een goede controle over de geldhoeveelheid, rente en andere sturende instrumenten.

Als we de geschiedenis opnieuw afspelen zien we dat de macht over de geldhoeveelheid vaak niet bij onafhankelijke partijen ligt. Na de uitgifte van banknotes door goudhandelaren oefende vooral invloedrijke private partijen in samenwerking met de koningshuizen macht uit over de geldhoeveelheid. Binnen de Angel-Saksische landen ontstonden er centrale banken die met toestemming van de koning werden opgericht. De koning had op deze manier toegang tot onbeperkte kredieten voor oorlogvoering. De kredieten werden gedekt door het verhogen van belastingen. Bankiers profiteerden enorm van deze onbeperkte kredietverlening tegen een rente van 8% gedekt door de belastingbetaler via het koningshuis.

Voor het verlenen van de Royal Charter voor de Bank of England stemde Willem III in met:

  • Het alleenrecht van de bank om geld te drukken voor de overheid
  • Het recht over het gecreëerde geld rente in rekening te brengen aan de staat
  • Het papiergeld van de te vestigen Bank of England moet legal tender zijn (het papiergeld hoeft niet de werkelijke waarde te dekken)
  • Het onafgebroken handhaven van schuld
  • De geldcreatie van de Bank of England is in privé handen
  • De geheimhouding van aandeelhouders

rothschild piramide

Bekende (vaak joodse) familienamen binnen het financiële kartel zijn Rothschild, Warburg, J.P. Morgan, Schiff en Rockefeller.

Deze namen staan bekend om het uitlokken van of speculeren op grote oorlogen. De Joodse Nathan Rothschild werd bijvoorbeeld zeer vermogend doordat hij een dag eerder dan de officiële overheidsberichten informatie had over de overwinning van Wellington in de slag bij Waterloo. Als private bankier in 1818 werd zijn invloed in de Bank of England in 1825 zo groot dat hij een liquiditeitscrisis van de bank kon voorkomen. Een bekende uitspraak van Amschel Rotschild was bijvoorbeeld: ‘geef me al het geld van een land, dan maakt het mij niet uit wie de verdere regels en wetten maakt.’. Het financiële systeem in Londen en Amsterdam werd grotendeels gedomineerd door de Sefardische (Spaans-Portugese) joodse elite. Deze joden stonden hoog in aanzien en waren volop aanwezig binnen het bankensysteem in Londen, Amsterdam en later in New York (Wallstreet).

Het centrale bankensysteem in Londen kreeg wereldwijde navolging, waarbij de city of London met Wallstreet nog steeds het financiële centrum van de wereld is. De city of London Corporation wordt nu nog steeds gerund door het old boys network. Rothschild krijgt begin 19de eeuw veel macht door het verstrekken van leningen aan staatsprojecten en als adviseur bij overheidsprivatiseringen. Rothschild financiert de slag bij Waterloo, het Suezkanaal en later de staat Israël.

Ook voorkomt hij de ineenstorting van het Britse Bankensysteem en blijft hij 20 jaar directeur van de Bank of England. Rothschild is de drijvende kracht achter het centraliseren van de bancaire macht en de corporate sector door het grootschalig opkopen van bedrijven.

“I care not what puppet is placed upon the throne of England to rule the Empire on which the sun never sets. The man who controls the British money supply controls the British Empire, and I control the British money supply.”  (Nathan Mayer Rothschild, 1815)

In 1980 neemt de corporatie Rothschild het voortouw bij de internationale privatiseringen. Corporaties krijgen wereldwijd het monopolie op de voorzieningen van essentiële basisbehoeften als water (Nestle, Veolia), voedsel (Monsanto), energie (Shell, Exxon, BP, GDF Suez), gezondheid (farmaceutische industrie) en informatie (grote telecom bedrijven, Reuters, Bertelmann, Murdoch, Google, Microsoft, Apple Samsung, postbedrijven etc.).

http://www.ninefornews.nl/de-ijzeren-greep-van-bankiershuis-rothschild/

Momenteel is niet alleen de financiële macht in handen van een aantal elitaire groepen, maar bijvoorbeeld ook de media, de politiek, entertainment, ICT etc. Met name New York en Los Angelos herbergen veel joodse gemeenschappen met vaak grote machtige financiële instellingen en joodse families die veel invloed kunnen uitoefenen op de economie en de samenleving in het geheel. Voorbeelden van invloedrijke joodse families en organisaties zijn: Spielberg (entertainment, Hollywood), Pro-Israëlisch lobby organisatie AIPAC (4,5 mln leden), 7 belangrijke joodse CEO’s runnen ABC, NBC, CBS, CNN, MTV en Reuters verzorgd wereldwijd het nieuws aan vele persbureus. Wereldwijd wordt de financiële sector enorm beïnvloed door joodse bankiers en economen. De Lehman Brothers (Henry Lehman, New York) en de Goldman Sachs waren joods, de Rothschilds, Oppenheim, Greenspan (voorzitter Federal Reserve), Milton Friedman, Schacht (BIS), Bernanke (opvolger Greenspan) zijn joods of hebben joodse roots.

De Warburg familie bestond uit vroeg joods-Duitse investment bankiers. De eerste banken werden in Hamburg rond 1798 opgericht. De Warburg bankiers hadden zowel handelsrelaties met de Federal Reserve System (1913 centrale banken systeem in de VS) en zaten in het bestuur van de Nazi Reichsbank in 1933 (Max Warburg) en in het bestuur van het grote chemische bedrijf I.G. Farben (Prins Bernard werkte hier als stagiaire), verantwoordelijk voor de productie van het gas Zyklon B voor de vernietigingskampen. Paul Warburg vertrok naar de VS en was grote voorstander van een centrale bank: The Federal Reserve. Republikeinen en rijke bankiers J.P. Morgan en Rockefeller Jr. waren groot voorstander van de Aldrich Bill (Rockefeller’s schoonzoon): Een grote centrale staatsbank in Washington zonder politieke inmenging. De wet kreeg eerst veel tegenstand van de democraten, maar door meer invloed van de regering op de centrale bank en federal reserve act, werden de eerste fundamenten voor een centrale bank gelegd in 1913. Ook zijn er vermoedens dat Max Warburg Lenin en de bolsjewieken financierde (o.a. in een persbureau).

Ook Jacob Stiff (senior partner, Koen, Loeb & company) migreerde van Duitsland naar de VS. Hij was een van de joodse leiders die zich vestigde op Wallstreet tussen 1880 en 1920 (Schiff Era) en zich bezig hield met het toenemende antisemitisme in Rusland, opvang joodse immigranten en het zionisme (terugverlangen naar een Joodse staat in Kanaan). Schiff werd ook bekend door de enorme leningen (bonds) aan Japan en financierde hiermee het grootste gedeelte van de Japans-Russische oorlog en verzette zich indirect tegen het Russische antisemitisme.Hij financierde en steunde veel joodse instellingen in de VS, met name in New York. Maar financierde ook de reis van Trotski van New York naar Rusland. De financiering van Trotski en indirect het communisme leidde onder andere de val van het Russische anti-semitische Tsarendom in (Tsaar Nicolaas II). De Russische revolutie (1917) werd voornamelijk gefinancierd door investeerders uit de VS, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Schiff was een groot voorstander van de Federal reserve act in 1913.

J.P. Morgan was een Amerikaanse financier en bankier. Morgan domineerde de corporate sector in de 20ste eeuw. Zijn kapitaal nam vooral toe door te investeren in elektriciteit (Edison General Electric), staal (fusie Carnegie Steel Company met Federal Steel) en ijzer. Morgan was de meest invloedrijke financier van zijn tijd en industrialiseerde en moderniseerde Amerika aan het begin van de 20ste eeuw. Morgan leende veel goud uit aan de Federal Reserve. Het was een tijd waarin een paar hele grote financiers controle hadden over de grootste industrieën.

https://www.youtube.com/watch?v=7XFKsjjPs7E

John D Rockefeller (1839-1937) wordt door velen beschouwd als rijkste man ter wereld van zijn tijd. Rockefeller investeerde in een olieraffinaderij. Samen met zijn zakelijk partner en broer (investeerder in spoorwegmaatschappijen) richtte hij de Standard Oil Company op. Door schaalvergroting en het monopolie op transport kon hij goedkoop veel olie aan de man brengen en transporteren. Door prijsafspraken en goede biedingen met de spoorwegmaatschappijen kon Rockefeller de concurrentie uitschakelen en opkopen waardoor Standard Oil steeds groter en goedkoper werd en uitgroeide tot een monopolie.

Rockefeller is voor velen de verpersoonlijking van het meedogenloze kapitalisme. In de VS is het verboden om een monopoliestatus te handhaven. Standard Oil werd in 1911 opgedeeld in een zestal nieuwe bedrijven die nu overgenomen zijn door Exxon Mobile (Esso), BP, Chevron, Texaco en Gulf Oil. In de periode na de Tweede Wereldoorlog werd de olie-industrie gedomineerd door de seven sisters. Een olie kartel van 7 westerse oliemaatschappijen die vanaf de WOII tot de oliecrisis (1973) en de oprichting van de OPEC de wereldhandel in olie domineerden. De seven sisters omvatten de bedrijven: Esso (later Exxon Mobile), Royal Dutch Shell, Anglo-Persian Company (nu BP), Socony (later Mobile en Exxon Mobile), Socal (later Chevron), Gulf Oil (Chevron) en Texaco (later Chevron). Op dit moment zijn er dus nog vier oliemaatschappijen over (BP, Shell, Chevron en Exxon Mobile) met een verminderde dominantie over de wereldhandel door opkomende olieproducten in Saoedi-Arabie,  Verenigde Emiraten (Dubai, Abu Dhabi), China, Venezuela, Rusland, Kazachstan, Azerbadzjan, Oezbekistan, Brazilië en Maleisië.

Na de WOII werden de eerste trans-Atlantische super elite overleggen gevormd. Het eerste overleg werd geïnitieerd door Prins Bernard (voorzitter) en David Rockefeller. In 1954 werd de eerste Bilderbergconferentie gehouden in Nederland. Een conferentie waarbij vooral de financiële wereldelite wordt uitgenodigd o.a. bankiers, investeerders, multinationals, Koningen, presidenten, topeconomen, ministers van economische en buitenlandse zaken etc.

Het Bilderberg netwerk is een netwerk van de joods-christelijke elite die met name pleit voor het grootkapitaal en totale vrijhandel. Deze Bilderberg conferenties stonden onder meer aan de wieg van de EGKS en EEG. De Bilderberg conferenties leidde vele politici in op vooraanstaande plekken: Van Rompuy (Europese Raad), Bill Clinton (VS), maar schoof ook vele prominente mensen door naar belangrijke posities binnen het IMF, Wereldbank, Bank of International Settlements, universiteiten, banken, vastgoedorganisaties, pensioenfondsen accountants (KPMG, Deloitte), etc. Bekende Nederlandse namen van dit super internationale nepotistische systeem zijn: Ruud Lubbers, Koningin Beatrix, Joseph Luns, Nout Welling, Balkenende, Elco Brinkman, Wouter Bos, Herman Wijffels, Onno Ruding. De Bilderberg groep heeft grote overeenkomsten met de VOC-gedachte: totale vrijhandel ten koste van het proletariaat, concentratie en behoud van de elitaire internationale machtsposities. De bankensector is zeer sterk gekoppeld aan dit super internationale nepotistische systeem. Met name de BIS, FED, IMF, Worldbank en ECB.

Momenteel moeten bijna alle westerse (Europese) centrale banken voldoen aan de regels van het Basel-III akkoord (2013) en hebben bijna alle westerse centrale banken connecties of een rekening bij de BIS (Bank for International Settlements) in Bazel (neutrale Zwitserland). Na de crisis van 2008 moeten banken hogere liquiditeiten en meer eigen vermogen aanhouden (kapitalisering). Maar van verdere transparantie over de wetgeving is niet tot nauwelijks sprake. De BIS werd in 1930 opgericht om de internationale handelsbetrekkingen en het betalingsverkeer te versoepelen en toezicht te houden op de Duitse herstelbetalingen aan andere landen volgens het Verdrag van Versailles. De BIS kende geen enkele vorm van overheidscontrole en werd geleid door de centrale banken (FED, Bank of England, Reichsbank). In oorlogstijd was de bank immuun voor in beslaglegging en gerechtelijke vervolging. De BIS trad op als Wereldbank maar werd louter ten bate van zijn eigen leden gerund. De leden van de raad van bestuur werden geleid door de voormalige president van de Reichsbank, de Duitse minister van economische zaken en de gouverneur van de Bank of England. De voorzitter van de raad was een New Yorkse bankier-advocaat die sympathieën had voor de nazi’s. Het vermogen van de BIS en het aantal transacties steeg enorm in de periode voor en de Tweede Wereldoorlog. De SS-leiding deed via fondsen grote stortingen via de BIS, omdat verdere internationale handelsbetrekkingen tussen Duitsland en de geallieerden stop gezet werd. Maar het vermogen en de reserves stegen ook doordat joden hun rijkdom uit Duitsland weg wilden halen. Zowel joden als nazi’s konden terecht bij de ‘neutrale’ banken in Zwitserland. Vanwege het bekende bankgeheim werd de identiteit van rekeninghouders gewaarborgd. De joden zochten een vluchtroute, de nazi’s zochten een ‘neutrale’ banken om veroverd goud om te zetten in goederen en diensten voor de oorlogsindustrie. Het Zwitserse bankgeheim zorgt voor een enorm ondoorzichtig financiele constructie voor belastingparadijzen waarbij de elite nauwelijks belastingen hoeven af te dragen. Criminele financiele activiteiten kunnen nauwelijks opgespoord worden. Het bankgeheim kan ook vergeleken worden met de zwijgplicht binnen de Maffia: de Omerta. Historisch geografisch gezien is Zwitserland een goed te beschermen regio (Alpen) die veiligheid boodt aan vluchtende groeperingen. Dat gold niet alleen voor mensen maar ook voor kapitaal. Vermogende tempeliers (belastinginners en de eerste bankiers) vluchten in de 14e eeuw voor de Katholieke kerk mogelijkerwijs naar Zwitserland om o.a. hun rijkdom veilig te stellen. Zwitserland profiteert enorm van deze toevlucht van vermogen. Niet voor niets altijd neutraal in oorlogen, met het bankgeheim een uitermate geschikte lokatie voor vluchtkapitaal.

http://www.mo.be/nieuws/icij-onthult-zwitserse-bankgeheimen-van-internationale-topfiguren

De BIS deed dan ook zaken met dubieuze oorlogsindustrieën die baat hadden bij toenemende conflicten en oorlog (Standard Oil, I.G. Farben, Ford en General Motors, General Electric, Royal Dutch Shell, BP, IBM, Hugo Boss, Dunlop, ITT, Alcoa). Deze bedrijven profiteerden van de toenemende vraag naar oorlogsmateriaal voor zowel de geallieerden als de Duitsers.

De meest invloedrijke personen binnen deze multinationals hadden zelfs innige banden met hooggeplaatste personen uit het nazi-rijk. Al voor de Tweede Wereldoorlog waren de internationale banden tussen met name Amerikaanse, Duitse en Engelse bankiers, investeerders en kopstukken van multinationals alom aanwezig. Daarnaast zat de angst voor een Beurskrach er goed in na 1929. De depressie van de Amerikaanse economie en het ineenstorten van het financiële systeem had wereldwijde diepe sporen achtergelaten en betere internationale samenwerking zou zo’n zware depressie moeten voorkomen. Door het bankgeheim bleven de internationale financiële stromen via de BIS zelfs tijdens de Tweede Wereldoorlog doorgaan. Zo konden de nazi’s hun oorlogsbuit via de BIS financieren voor de oorlogsindustrie met medeweten van de Bank of England (Sir Montagu Norman). Sterker nog de BIS hielp het nazi-regime bij de speurtocht naar hulpbronnen en grondstoffen (rubber) in het bijvoorbeeld bezette Malakka (bezet door Japan).  De BIS regelde deze transacties. De Europese landen die zich enigszins neutraal of afzijdig opstelden hadden dan ook grote belangen in de Duitse oorlogsindustrie: Zweden (ijzererts), Turkije (chroom), Spanje en Portugal (wolfraam). De betalingen werden vooral gedaan met goud of Zwitserse franken. De ‘neutrale’ landen hadden aan Duitsland een goede zakenpartner en leverde noodzakelijke grondstoffen, Duitsland kon de oorlogsindustrie financieren en de Zwitserse banken konden een commissie van 5% rekenen bij elke transactie.

De belangrijkste taak van het Basel-III akkoord is het voorkomen van bank runs: dat klanten hun geld terughalen bij banken waardoor banken hun bestaansrecht verliezen en niet meer tot geldcreatie kunnen komen. Door een bankrun komt een bank enorm in de problemen omdat de uitstaande leningen velen malen hoger zijn dan het eigen vermogen van banken (leverage). Geen enkele bank kan al haar uitstaande schulden per direct terugbetalen aan de klanten (lage liquiditeit). Als je een bank zou vergelijken met een individueel huishouden zou elke bank failliet zijn. Het eigen vermogen ten opzichte van het vreemd vermogen ligt gemiddeld tussen de 3 en 5 procent (zeer lage solvabiliteit).

Grote systeembanken kunnen alleen niet failliet gaan. Ze zijn too big to fail. Als een grote systeem bank failliet zou gaan, zou dit een te grote impact hebben op de totale economie. Overheden kunnen dan geen geld meer lenen (staatsschuld) voor infrastructuur, sociale doelstellingen, onderwijs etc. Ondernemingen kunnen nauwelijks meer investeren en consumenten kunnen geen kredieten opnemen, hypotheken aangaan en raken hun spaargeld kwijt. Banken staan centraal in de economie en dat is precies de reden waarom banken een grote machtspositie hebben. Als een bank valt worden ze veelal geholpen door de overheid (nationalisatie van banken). De belastingbetaler draaft eigenlijk op voor de schulden van de banken.

The Wealth Pyramid

Ons hele financiële systeem is gebaseerd op vertrouwen. Nl. het vertrouwen in banken, het vertrouwen in de waarde van geld, het vertrouwen dat de waarde op het geld de waarde van een product of dienst vertegenwoordigd. Maar ook het vertrouwen in een gezond financieel systeem waarin banken ons geld of vermogen veilig bewaren. Dit vertrouwen is gebaseerd op de illusie dat banken voldoende buffers (goud of representatieve tegenwaarde) hebben om de werkelijke waarde van geld of waardepapier terug te kunnen geven. Met andere woorden: dat het eigen vermogen gelijk is aan het vreemd vermogen van een bank (kapitaalratio van 100 procent, norm van het Basel-III akkoord is in 2015 6% en in 2019 8,5%). Goud was voorheen altijd het meest geaccepteerd geld. Door de internationale bankiers is het begrip geld verruimd tot allerlei waardepapieren die staan voor een bepaald geloof en vertrouwen in een inwisselbare waarde. Goud wordt nog steeds als belangrijkste reserve van banken aangehouden. De vraag is hoe groot die reserves bij banken zijn (eigen buffer vermogen). Goud wordt ook wel gezien als het enige geld. De rest is krediet/schuld.

De realiteit is anders. Geen enkele bank heeft genoeg eigen vermogen om al het uitstaande vreemde vermogen terug te betalen. Dit komt door het geldscheppende vermogen van systeembanken.

Super_Simple_resized_Fractional-reserve-banking-infographic-HORIZONTAL_550x361

Elke euro of dollar die de bank leent van overheden, consumenten, ondernemers of andere banken kunnen ze 10 tot 30 keer uitlenen aan overheden, consumenten, ondernemers en andere banken. De banken maken grote winsten door het verschil in rente tussen de verstrekte leningen en het aangetrokken vreemd vermogen min alle overige kosten zoals personeel (bonussen), vastgoed (kantoren), ICT, opslag/transport geld, veiligheid, acquisitie en onderhoud klanten en personeel etc. Banken zullen niet snel verlies maken door de grote marges in rente tussen dure verstrekte kredieten en zeer lage rente voor bijvoorbeeld spaarders. In Nederland is dit verschil helemaal groot door de lage (spaar)rente in een economische crisis en een hoge hypotheekrente door te weinig concurrentie op de hypotheekmarkt. Het proces van verstrekken van leningen (vreemd vermogen) op basis van een veel kleinere reserve (eigen reserve) heet Fractional-reserve banking. Het vergroot op een kunstmatige wijze de geldhoeveelheid en kan leiden tot enorme geldcreatie, geldvernietiging,  inflatie en deflatie van geld.

Naast winst op rentemarges hebben banken een tweede instrument om grote invloed uit te oefenen op consumenten en ondernemers. Banken vragen voor verstrekte leningen een onderpand. Als een consument of onderneming niet in staat is om de lening met interest terug te betalen, mogen banken door middel van executie het onderpand verkopen of in bezit nemen. Op deze wijze kunnen banken zich bezit toe eigenen op basis van gebakken lucht en geldcreatie.

Geld dat gecreëerd is uit schuld is in de loop van tijd alleen maar toegenomen. Banken kopen in tijden van crisis het onderpand op tegen een zeer lage prijs (executie verkoop) en verkopen het onderpand weer als de prijs stijgt. Als er veel vraag is naar vastgoed (de business cycle). De banken kunnen op dit vastgoed enorme winsten boeken. Banken hebben dus belang bij een instabiele economie. Ze kopen vastgoed op als het slecht gaat in de economie. Ze verkopen vastgoed als het weer goed gaat met de economie. Door het geldscheppende vermogen kunnen banken ook nog eens een crisis of hausse initiëren. Door veel geld in de economie te pompen of geld uit de economie te halen beïnvloeden ze de reële economie. De bank heeft tegengestelde belangen aan de maatschappij (reële economie). De bank maakt meer winst bij een instabiele economie. De maatschappij en ondernemers hebben juist belang bij stabiele prijzen. De meeste mensen zijn niet bewust van dit tegengestelde belang, maar weten inmiddels wel dat de meeste bankiers streven naar winstmaximalisatie en niet naar maatschappelijke dienstverlening.

Advertenties