Van industriële revolutie naar nieuwe machtsverhoudingen en nieuwe stromingen

Industriële revolutie (vanaf 1750)

De industriële revolutie begon in Groot Brittannië met de uitvinding en verbetering van de stoommachine voor verschillende toepassingen. De aanwezigheid van veel grondstoffen op eigen bodem (steenkool), vele nieuwe arbeidskrachten (oude landarbeiders die hun baan verloren), grote afzet uniforme producten (textiel) voor een grote afzetmarkt (groeiende steden en koloniën). Ambachtelijk werk, windmolens, paarden, menskracht konden deels vervangen worden door machines en grote fabrieken.

Door producten grootschaliger te produceren daalde de prijs en kregen steeds meer mensen toegang tot de economie en groeiende welvaart. Innovatieve productiemethoden waren ook nodig om de groeiende Europese bevolking van voedsel, kleding (textielindustrie) en andere producten te voorzien. Wel verloren grote groepen mensen banen in de ambachtelijke sectoren.

In de 18e en 19e eeuw was er sprake van zowel een politieke als economische democratisering. Meer mensen konden meedoen aan de samenleving en kregen toegang tot verschillende producten en diensten. Wel ontstond er een klassenmaatschappij. Arbeiders werkten tegen zeer lage lonen en slechte arbeidsomstandigheden in de fabrieken en de houders van de kapitaalgoederen (kapitalisten) streken de winsten op. De industriële revolutie creëerde een maatschappelijke ongelijkheid die er ook al was tijdens het feodale systeem. Horigen (loonwerkers en landarbeiders uit de periode van voor de industriële revolutie) maken plaats voor arbeiders die op grootschalige wijze uitgebuit werden. Groot grond bezitters maken plaats voor machtige ondernemers (kapitalisten) die de economische en politieke macht hadden. Aan de andere kant steeg de behoefte naar betere voorzieningen en ontstond er meer welvaart voor iedereen. De arbeidsomstandigheden verbeterde via de sociale wetgeving. Er kwamen kinderwetten zoals het kinderwetje Van Houten (1874), arbeidswetten (1919) en woningwetten (1901).

De industriële revolutie kent drie grote fasen:

De opschaling van de productie door de komst van de stoommachine en stoomturbine (1e industriële revolutie, rond 1850)

De verbrandingsmotor, aardolie, steenkolen, transistor, stoomturbines, elektriciteit (gelijk- en wisselstroom), staal (2e industriële revolutie, eind 19e eeuw)

en met nieuwe communicatiemiddelen, globalisering, automatisering en digitalisering (3e industriële revolutie) nam wereldwijd de productie van goederen en diensten enorm toe, waardoor de economie en de wereldwijde samenleving drastisch veranderde.

Demografische transitie, het driefasen model.

De industriële revolutie is grotendeels ook verantwoordelijk voor de demografische transitie die per land in verschillende fasen op verschillende momenten optrad. De industrialisatie zorgde voor een verbetering van de gezondheidszorg, betere hygiëne, (o.a. een werkend rioleringssysteem en betere huisvesting), beter voedsel, drinkwater en meer overheidscontrole. In het tijdperk voor de demografische transitie was het sterftecijfer relatief hoog en haalden veel kinderen hun vijfde levensjaar vaak niet. Ook stierven mensen op een lagere leeftijd. De eerste fase van de transitie kenmerkt zich door nog hoge geboortecijfers van voor de transitie in combinatie met dalende sterftecijfers door sterk verbeterde gezondheidszorg.

In de tweede fase (de transitiefase) is het geboortecijfer nog erg hoog, maar is het sterftecijfer enorm gedaald. Hierdoor ontstaat een enorme bevolkingsgroei door grote geboorteoverschotten. In de derde fase is zowel het geboortecijfer als het sterftecijfer enorm gedaald door anticonceptie en nieuwe normen over het gezin en de samenleving. De bevolkingsgroei neemt in deze fase nauwelijks toe of kan zelfs afnemen door vergrijzing en ontgroening en minder mensen in de reproductieve levensfase. De natuurlijke aanwas is dan negatief.

Nederland kent een relatief lange tweede fase (een eeuw) in vergelijking met andere West-Europese landen (o.a. door de invloed van de katholieke kerk en het hanteren van strikte opvattingen over anticonceptie). Door de late industrialisatie in Nederland trad de demografische transitie ook later op. Hierdoor heeft Nederland momenteel nog redelijk wat jongeren in de bevolkingspiramide zitten en treedt de vergrijzing enigszins wat uitgesteld op in vergelijking met de rest van Europa. Ook kende Nederland een zeer snel oplopende bevolkingsgroei door een snel dalend sterftecijfer, een langzaam dalend geboortecijfer en de relatief lange tweede transitiefase. Het gevolg is dat Nederland hierdoor een relatief hoge bevolkingsdichtheid kent. Op dit moment zit Nederland in de derde fase (post-transitie) wat zich kenmerkt door een zeer lage bevolkingsgroei, lage vruchtbaarheidscijfers en lage sterftecijfers, een lage natuurlijke aanwas en immigratie. Op termijn zal de bevolking steeds meer ontgroenen en vergrijzen.

In de niet-westerse landen zie je een hele andere ontwikkeling. In met name de Afrikaanse landen (Derde Wereldlanden) zie je wel een daling van de sterftecijfers door ontwikkelingshulp en de export van medische expertise naar de arme landen (HIV-bestrijding, UNICEF en World Health Organisation), maar bleef het geboortecijfer ongekend hoog. Door verbeterende medische voorzieningen steeg het geboortecijfer zelfs. Veel Afrikaanse landen kennen hierdoor een zeer hoge bevolkingsgroei en een zeer jonge bevolkingsopbouw. Van een overgang van de tweede naar de derde fase is soms nauwelijks sprake. Ook China en Indonesië en India hebben een snel stijgende bevolkingsgroei gekend. De bevolking stijgt in deze landen nog steeds, maar wel steeds minder hard door geboortebeperking en overheidsbeleid. China hanteert al jaren een gezinspolitiek waarbij elk gezin maar recht heeft op 1 kind.

Een ander verschil met betrekking tot geboortebeperking heeft te maken met gezinsplanning. In de westerse geïndustrialiseerde landen liep de welvaart op waardoor kinderen niet meer direct gerelateerd zijn aan economische bijdrage van het huishouden. Het economisch voordeel hebben van kinderen in agrarische samenlevingen is weggevallen waardoor gezinnen meer aandacht konden geven aan 1 of 2 kinderen. De technologische mogelijkheden van anticonceptie en andere normen en waarden (status, secularisering, emancipatie, hoge huwelijksleeftijd) maakte het mogelijk om aan gezinsplanning te doen. In westers geïndustrialiseerde samenlevingen werd het hebben van kinderen minder toebedeeld aan economische motieven en werden affectieve bindingen met kinderen steeds belangrijker. In Derde Wereldlanden blijven economische motieven voor het hebben van kinderen nog steeds belangrijk, een hogere kindersterfte betekent dat je meer kinderen moet verwekken om je familie economisch in stand te houden (status, vruchtbaarheid, lage huwelijksleeftijd, gearrangeerde huwelijken). Daarnaast kunnen gezinnen in Derde Wereldlanden niet terugvallen op wetten (kinderwet) voorzieningen (oude dag voorzieningen) uit de verzorgingsstaat.

Overbevolking heeft grote effecten op samenleving en de leefomgeving. Zowel de directe leefomgeving als de globale leefomgeving. Verschillende overheden proberen het effect van overbevolking in te perken. Wel verschilt dit per land en per politicus. De bezorgdheid voor een dalende bevolking zit er nog diep in (minder groot leger, minder belastingbetalers en dus minder macht) en de gevaren van overbevolking wordt nog niet door iedereen gezien. In de Derde Wereldlanden wordt een hoge bevolkingsgroei juist toegejuicht. Al werken de meeste politieke leiders wel mee aan programma’s van de Verenigde Naties om bevolkingsgroei af te remmen.

In de westerse landen en Nederland zal de komende tijd de vergrijzing en ontgroening een grote rol spelen. Dat heeft economisch invloed op het aantal actieven (20-67 jarigen) die inkomen moet genereren voor o.a. de niet-actieven (0-15, 67+ jarigen). Daarnaast stijgt de leeftijdsverwachting van de ouderen, waardoor er niet alleen meer ouderen in de bevolking komen, maar de periode van ouder worden ook langer wordt (dubbele vergrijzing). Dit betekent een extra demografische druk op de sociale voorzieningen.

Wereldwijd zie je een toenemende bevolkingsgroei in de Derde Wereldlanden, een stabiele groei in de Tweede Wereldlanden (BRIC-landen) en een daling van de bevolking in de westerse landen. De toenemende groei van de bevolking heeft vooral een grote impact op het milieu. Ook omdat deze groei gepaard gaat met economische groei wat een extra belasting voor het milieu betekent. Deze extra belasting op het milieu zal vooral in de tweede en derde landen (Afrikaanse landen, Latijns-Amerika en de BRIC-landen) aan de orde zijn, omdat hier de economische groei per hoofd van de bevolking het snelste zal gaan.

Een grote bevolkingsgroei gepaard gaande met een stijgende welvaart kan de grenzen van wat natuurlijk houdbaar is overschrijden. Overbevolking heeft te maken met de verhouding tussen middelen van bestaan en de bevolkingsomvang. De omvang van groei van die middelen is afhankelijk van de economische en politieke verhoudingen in een land of regio en de mogelijkheid om de effecten van groei op te vangen (weerbaarheid/opname capaciteit van een land).

Bevolkingsgroei en aantasting van het milieu.

Als een gebied zo dichtbevolkt wordt door een groeiend aantal mensen kan het milieu ernstig aangetast worden. Het natuurschoon wordt langzamerhand teruggedrongen, de groeiende stroom afvalproducten wordt opgeslagen op stortplaatsen of binnen de leefgebieden zelf, die een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. De stijgende behoefte aan energie leidt tot de bouw van steeds grotere centrales die de atmosfeer en het water (koelwater) vervuilen en verwarmen en de biodiversiteit verarmen.

In een globaliserende wereld worden de externe factoren van milieuvervuiling vaak over de grens gegooid (dumping in de rivieren en oceanen, afbraak schepen in India en Bangladesh). Of het probleem wordt vooruitgeschoven naar volgende generaties (de jeugd zal wel een technologie verzinnen die alle problemen oplost).

De vooral westerse landen zijn door de ontwikkeling van transport, voedselconserveringsmiddelen en kunststoffen minder afhankelijk geworden van de directe omgeving. Zo is het mogelijk om de effecten van roofbouw en vervuiling naar plaats en in de tijd te schuiven en op anderen af te wentelen. Het afschuiven van de negatieve externe factoren komt o.a. doordat de externe factoren niet meegerekend wordt in de prijs van een product of dienst. Niemand betaalt direct voor de vervuiling van de lucht, of de ziektekosten van iemand die jaren in een mijn gewerkt heeft. Hierdoor kunnen producenten goedkoop en veel blijven produceren, waardoor de negatieve externe effecten alleen maar toenemen. Zolang de externe factoren van productie niet meegenomen worden zal de maatschappij uiteindelijk op termijn de kosten achteraf betalen. De sociaal en economisch zwakkeren zullen deze prijs het eerst gaan betalen, omdat de politiek en economische sterke macht de externe kosten voor zich uit kunnen schuiven of de kosten kunnen afwentelen op landen met lage lonen en gebrekkige wetgeving. De westerse landen betalen bijv. niet voor de smog in China en India, maar importeren wel de goederen uit vervuilende productie. De westerse landen kunnen goedkoop kleren inkopen uit Bangladesh omdat deze door kinderen en werknemers met zeer lage lonen gemaakt worden en omdat ze met veel goedkope chemicaliën bewerkt zijn ipv meer dure duurzame bewerkingen. De grote kledingindustrieën betalen nauwelijks tot geen winstbelasting in het land van productie. Bangladesh betaalt zowel economisch als maatschappelijk de externe kosten van goedkope producten die de westerse landen tegen zeer lage prijzen inkopen en profiteren niet van de baten (belastingen). Op deze manier blijven de sociale en economische verschillen bestaan en worden de externe kosten voor vervuiling niet meegenomen in de prijs.

Op dit moment (december 2014) proberen een aantal bedrijven wel de externe kosten (onzichtbare kosten) in kaart te brengen. Er wordt een prijskaartje gehangen aan ontbossing, CO2 of vervuilende gronden en lucht. Het bedrijf true price helpt bedrijven de ware totale onzichtbare prijs (de waarde van het natuurlijke kapitaal) in kaart te brengen, waardoor het milieu minder belast wordt omdat consumenten en producenten ook betalen voor uitputting en milieuaantasting en vervuiling. Een goede rekenmethode zorgt ervoor dat de schade aan basisgrondstoffen en het milieu in kaart gebracht wordt waardoor recycling beter betaalbaar wordt.

Het gaat om de ecological return of investment. Transparantie hierin is erg belangrijk. Het systeem wordt waarschijnlijk nog wel sterk ondermijnd door een grote hoeveelheid free-riders. Producenten die de externe kosten van vervuiling, aantasting en uitputting niet doorberekenen aan de consument.

Een groeiende vraag naar welvaart en een toenemende bevolking uit de eerste en tweede wereldlanden zorgt voor zowel een aantasting van het fysieke als het sociale milieu. Zeker met de opkomende BRIC-landen.

De laatste 100 jaar is de aantasting van het fysieke milieu in een stroomversnelling terecht gekomen. Bevolkingsgroei, technologische ontwikkelingen en groei van de productie per hoofd zijn de voornaamste oorzaken van de aantasting op het milieu. De effecten van milieuaantasting manifesteren zich in vele gevallen op de langere termijn.

De giftbelten van de jaren ’80 zijn ontstaan in de jaren ’50 en ’60 en vervolgens afgedekt met grond, waarop een recreatiepark of woonwijk is aangelegd. Van sommige geloosde stoffen ontdekken we pas na jaren dat ze kankerverwekkend zijn. Uitstoot van raffinaderijen, energiecentrales, motoren en bio-industrie veroorzaakt zure regen en in de laatste jaren van nu ontdekken we ook dat ze een aandeel hebben in het broeikaseffect.

Bij elke transitie (landbouw en industriële) zien we een toename van de aantasting op het milieu. Waarbij de landbouw een grote rol speelt in erosie en overstromingen van het grondgebied en de industriële revolutie door winning van delfstoffen een grote impact heeft op de lucht, water- en bodemvervuiling. Met andere woorden, de landbouwrevolutie en de industriële revolutie tasten de ecologische grenzen van het menselijk en dierlijk  (biodiversiteit) bestaan aan. De grenzen staan nog extra onder druk door de toename van de welvaart na de jaren ’50. Hierdoor worden uitputtende grondstoffen, water, fosfaten en energie schaars en op termijn steeds duurder. Tijdens de productie van grondstoffen, halffabricaten en eindproducten zijn er veel giftige stoffen in de bodem, oceanen en atmosfeer terecht gekomen met lange na-ijleffecten (o.a. lood, plastics, CFK’s CO2 en andere broeikasgassen).

Na het rapport ‘grenzen aan de groei’ zijn er nieuwe wetten gekomen op het milieubeheer. Wel is sluitende controle op het milieubeheer lastig. Zeker op mondiaal niveau is er weinig bereikt omdat de collectieve actie op mondiale milieuproblemen ontbreekt. Milieu en klimaat beheer vergt grote samenwerking en afstemming tussen staten. Het gevaar van free riders gedrag speelt hierin een grote rol. Een staat of organisatie die afhaakt profiteert ten opzichte van alle andere staten die wel meedoen.

Daarnaast bestaat er nog veel niet-wetenschappelijke discussie over de ernst van het klimaat en milieuprobleem. Met name aangewakkerd door neoliberale conservatieve instituten/platformen (Heartland Institute, Daily Standard, groene rekenkamer, telegraaf etc.) die pleiten voor een zo’n vrij mogelijke markt zonder beperkingen.

Na 1970 is er in Nederland wel degelijk wat gebeurt ten goede van het milieu. De waterkwaliteit is enorm verbeterd, CFK’s zijn verboden, het gat in de ozonlaag is minder groot geworden en de normeringen op ammoniak, meststoffen, NOx, SO2, stikstof, zware metalen etc. zijn verhoogd. Collectieve actie kan dus wel degelijk invloed hebben op het milieu. Maar worden aan de andere kant teniet gedaan door een zeer sterk stijgende behoefte aan welvaart en de lange na-ijleffecten van chemische bewerkte producten. Zowel nationaal als internationaal.

Geen enkel land streeft naar krimp van de economie en minder welvaart. De discussie in welke mate groei nu duurzaam is loopt nog niet van harte. De moderne maatschappij is steeds meer georiënteerd op welvaart en consumptie. Dat hangt mede samen met status en imago. Je doet pas mee als je een goed inkomen, auto, mobieltje, vlees eet en een goede woning hebt. Dat bereik je door veel en hard te werken. Dus door veel eenheden te produceren (massaproductie) en te consumeren (massaconsumptie). Wat weer een negatief effect heeft op het milieu. Nederland kent geen beleid dat gericht is op consuminderen. Alleen een economische crisis leidt via bezuiniging en lagere inkomens tot minder consumptie.

In de westerse landen zal het aantal inwoners op termijn minder worden en daarna stabiliseren. Dit kan gunstige effecten hebben op het milieu en klimaat. Bovendien zal de westerse bevolking vergrijzen. Nieuwe technologie gericht op cleantech, efficiëntie en duurzaamheid kan voor minder uitstoot en een gezonder klimaat zorgen. De grootste dreiging voor het klimaat en het milieu wordt veroorzaakt door bevolkingsgroei van de ontwikkelingslanden. Aan de ene kant zorgt bevolkingsgroei voor lage lonen (toename aanbod arbeid). Lage lonen landen trekken vervuilende industrie aan (China, India, Bangladesh), maar zorgen ook voor een bedreiging op termijn. Binnen de lage lonen landen stijgt ook de welvaart. Meer mensen krijgen toegang tot consumptiegoederen. Meer consumptie en meer productie betekent wel meer welvaart, maar ook meer uitstoot en vervuiling van het milieu.

Die rat race: locatie van arbeidsintensieve bedrijven (vaak grote productiehallen met eentonig, eenvoudig productiewerk) is meestal gevestigd in landen met een toenemende bevolkingsomvang en zijn de landen met meestal de laagste lonen. Dit betekent ook dat geografisch de aard van arbeid verschilt. In de ontwikkelde landen zal meer hooggekwalificeerd arbeid aanwezig zijn. In de ontwikkelingslanden zal arbeid meer gericht zijn op slecht betaald productiewerk. Aan de ene kant zijn de lage lonen daar verantwoordelijk voor. Aan de andere kant is de wet en regelgeving in lage lonen vaak afwezig, bureaucratisch of corrupt. Hierdoor kan men makkelijk indirecte kosten afwentelen op mensen met weinig bescherming of waar elke arbeider simpel vervangen kan worden voor een andere goedkope arbeider.

Varianten van staatsvorming na de industriële revolutie en modernisering

Individueel kent elke staat zijn eigen geschiedenis na de industriële revolutie. Toch kun je de vorming van staten in verschillende categorieën indelen waarlangs een bepaalde mate van modernisering is verlopen.

  1. Vroeg kapitalistische ontwikkelingen en burgerlijke revoluties
  2. Autoritaire hervormingen van bovenaf
  3. Revoluties van boeren en arbeiders in overwegend agrarische samenlevingen.

In de twintigste eeuw zijn er in het noorden en het westen van Europa en Noord-Amerika tamelijk stabiele democratieën ontstaan. In het midden en zuiden van Europa, Japan en Zuid-Amerika zijn er nationaal-socialistische en fascistische regimes aan de macht geweest. Tot de jaren ’80 in en onder invloed van Rusland, het oosten van Europa en China door middel van revoluties communistische staten gevestigd. Vind je in de voormalige Portugese en Spaanse koloniën in Latijns Amerika voornamelijk zwakke democratieën en militaire dictaturen en zijn in veel nieuw gevormde staten in Afrika en Azië na korte experimenten met democratisch georiënteerde regeringsvormen autoritaire regimes gevestigd, waaronder een groot aantal militaire dictaturen.

In Engeland, Frankrijk, de VS en eerder nog in de Noordelijke Nederlanden ontstond in een vroeg stadium een kapitalistisch economische ontwikkeling, waaronder commercialisering van de landbouw en de groei van een enigszins pluralistisch politiek bestel een geleidelijk liberaler wordende politieke orde, die in de 20e eeuw resulteerde in een parlementaire democratie (B. Moore). Burgerlijke revoluties van onderaf waren de beslissende factoren voor deze economische en politieke ontwikkelingen (Engelse en Amerikaanse Burgeroorlogen, Franse Revolutie, afscheiding van de Noordelijke Nederlanden van Spanje door de edelen). Revoluties van onderaf leidden tot een snellere modernisering en betere democratische maatschappelijke verhoudingen.

De autoritaire hervormingen van bovenaf vonden vooral plaats in Duitsland en Japan onder invloed van de traditionele elites met een stevige greep op de macht. Moore spreekt van revoluties van bovenaf die zowel anti-democratisch als anti-liberaal waren en ten slotte uitmondde in fascisme. Commercialisering en industrialisering kwamen later opgang, maar een burgerlijke revolutie bleef uit of mislukte.

In Rusland en China zagen de beide keizerlijke regimes zich gedwongen tot ingrijpende politieke en economische staatshervormingen. Het politieke gezag voelde de druk van opstandige bewegingen van boeren en arbeiders. Oorlogen met andere landen verzwakte eveneens het gezag en de macht van de staat (Rusland in oorlog met Duitsland en China in oorlog met Japan). In beide gevallen slaagden de communistische partijen erin om de staatsmacht in handen te krijgen. Vervolgens streefden de communistische regimes onder zware dwang grote delen van de bevolking naar een snelle economische ontwikkeling te leidden (Moore).

De nieuwe Afrikaanse en Aziatische staten zijn grotendeels tussen 1945 en 1970 ontstaan. Deze staten zijn voortgekomen uit een voorgaande fase van koloniale overheersing en werden door de concurrerende westerse geïndustrialiseerde landen vooral gezien als wingewesten. De kolonies werden bestuurd vanuit de kolonisatoren (rechtstreeks bestuur Europese ambtenaren) of door traditionele hoofden en leiders als tussenpersoon.

Binnen de kolonies kwamen nationale bewegingen op die zich afzetten tegen het imperialisme van de westerse landen. Deze bewegingen werden sterker na de Tweede Wereldoorlog door de verzwakte Europese staten. Bovendien schaarde de VS zich achter de strijd voor politieke zelfstandigheid (historisch gevoel van vrijheid en zelfstandigheid). De meeste voormalige kolonies/nieuwe nationalistische (communistische) staten konden alleen niet voldoen aan het hoge verwachtingspatroon van snelle economische ontwikkelingen. De meeste koloniën zaten nog in een agrarische samenleving en waren sterk afhankelijk van de kolonisator. Een zwak staatsbestel viel vaak samen met overbureaucratisering, corruptie, inefficiëntie en financiële tekorten (Myrdal, 1971). De nieuwgevormde staten waren bovendien sterk etnisch en religieus verdeeld waardoor er geen eenheid en een sterke binding met de staat en het gezag ontstond.

Het ontstaan van de verschillende stromingen na de Franse Revolutie (1789 tot nu).

Na de Franse Revolutie ontstonden verschillende emancipatiebewegingen. Er kwam een einde aan de absolute alleen macht van de koning en burgers kregen meer rechten en vrijheden. Dat ging via verschillende stromingen (bewegingen). Het liberalisme, het marxisme dat het meest overeenkomt met het socialisme en het communisme en de samensmelting van de confessionele bewegingen.

Marxisme

De ideologie in de Sovjet-Unie is ontstaan vanuit het gedachtegoed van Karl Marx waarin de dictatuur van het proletariaat overgaat in het socialisme en uiteindelijk het communisme. Privaatbezit van de productiemiddelen werd afgeschaft waardoor het verschil tussen de elite (rijke fabriekseigenaren en regenten) en een grote groep arme arbeiders werd opgeheven. In een klasseloze maatschappij zou de staat als onderdrukker en godsdienst als opium van het volk verdwijnen.

In 1917 brak de oktober revolutie uit waardoor Lenin een ‘democratisch’ centralistisch georganiseerde communistische partij kon introduceren die de voorhoede was van de arbeidersklasse gebaseerd op het Marxistische gedachtegoed. Het beleid werd bepaald vanuit Moskou via een centraal geleide planeconomie met een machtig partijapparaat. Friedrich Engels was een Duitse industrieel en sociaal wetenschapper die samen met Karl Marx het communistisch manifest en Das Kapital schreef en financierde.

Engels schreef over de armoede en de slechte toestanden van de arbeidersklasse. Engels en Marx waren de ideologische grondleggers van het communisme.

Socialisme en communisme (18e, 19e en 20e eeuw)

Socialisme is een maatschappijvorm gebaseerd op gelijkheid, sociale rechtvaardigheid en solidariteit. Het collectief, al dan niet belichaamd door de staat/overheid staat centraal. De hoogste beslissingsbevoegdheid heeft de macht over de verdeling van arbeid, inkomen, producten en de macht zelf.

De staat nivelleert de economische ongelijkheid waardoor er een einde komt aan de klassenmaatschappij. De meeste socialistische theorieën gaan uit van een eerlijkere samenleving die tegenstrijdig is met het vrije markt denken (waar alleen de elite profiteert). Het socialisme staat haaks tegenover het liberalisme en het kapitalisme.

Binnen het socialisme is een grote rol weggelegd voor de maakbare samenleving. Wel is er discussie of de rol van de staat of individuen zelf naar deze maakbare en gelijke, rechtvaardige samenleving moeten streven (sociaaldemocraten, marxisten versus de anarchisten).

Ook binnen het socialisme heb je verschillende stromingen en combinaties met andere stromingen zoals het nationaalsocialisme: het creëren van een socialistische eenheidsstaat op basis van de entiteit en solidariteit van een natie. Het nationaalsocialisme wordt niet echt toegerekend tot het socialisme omdat de praktijk heel anders uitpakte en bovendien heel anti-Marxistisch was. De voorkeur voor het eigen volk, de eigen natie ging juist in tegen het gelijkheidsbeginsel van andere mensen elders buiten de staat. Alles wat niet binnen de identiteit van de natie paste werd verketterd en verbannen. Binnen het christensocialisme wordt de christelijke leer met het socialisme (solidariteit, verdraagzaamheid van de leer van Jezus) gecombineerd zonder dat het een Marxistisch karakter had.

Het socialisme bloeide op na de Franse Revolutie waarbij vrijheid, gelijkheid en broederschap centraal stond. De Franse Revolutie is uiteindelijk de motor voor de twee grote stromingen geweest: het liberalisme en het socialisme. De macht van de christelijke bewegingen werd minder door de verlichting, het afschaffen van de absolute macht van koningen, meer democratie voor het volk, beter onderwijs, burgeremancipatie en de opkomst van een arbeidersklasse door de industriële revolutie. De emancipatie kwam mede tot stand door nationalistische gevoelens. De identiteit van een staat en de verbondenheid van een volk met die natiestaat.

De industriële revolutie staat aan de basis van het socialistische gedachtegoed omdat de klassenmaatschappij steeds sterker zichtbaar werd. Socialisme en communisme kwamen voort uit een grote arbeidersklasse die structureel onder het bestaansminimum in de fabrieken voor de mensen met het grootkapitaal werkten. Hierdoor nam de ongelijkheid in inkomen, macht en leefstijl enorm toe. In Rusland kwamen de arbeiders onder aanvoering van Lenin in opstand tegen het grootkapitaal en de Tsaar (februari en oktober revolutie 1917).

In 1922 veranderde Rusland in de Sovjet-Unie (Unie van Socialistische Sovjetrepublieken) met een internationale expansiedrift van het socialisme/communisme vanuit Moskou onder leiding van Stalin (1924-1953), Chroesjtsjov met destalinisatie (1953-1964), Brezjnev (1964-1982) jaren van de grote stagnatie, na Andropov en Tsjernenko komt Gorbatjsov aan de macht in 1985.

Na de val van de muur in Berlijn (1989) en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie (1991) kreeg Rusland weer de oude naam terug. Gorbatsjov startte in de late jaren ’80 nog wel met openheid (Glasnost) en hervormingen (perestrojka), maar deze kwamen te laat, waardoor de Sovjet-staten officieel uiteenvielen en de Russische Federale Staat de verplichtingen en schulden overnam onder leiding van Boris Jeltsin. De val van de Sovjet-Unie betekende ook het einde van de koude oorlog en het einde van de communistische periode en expansiedrift. De satellietstaten werden onafhankelijke staten. Wel bleef de macht van de Russische Federatie in handen van Moskou (Het Kremlin).

In Nederland werd de Sociaal-Democratische Bond (SDB) in 1881 opgericht door Domela Nieuwenhuis. In 1894 wordt er via een scheuring in de SDB de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) opgericht (Pieter Jelles Troelstra). De SDAP voert een reformistische koers gericht op hervormingen van de kapitalistische samenleving. De revolutionairen (Sociaal-Democratische Partij) stappen uit de SDAP en wordt in 1918 omgevormd tot de Communistische Partij Holland/Nederland CPH/CPN en loopt aan de leiband van de Sovjet-Unie via de Komintern.

Na de Tweede Wereldoorlog fuseren de SDAP, de Vrijzinnige Democratische Bond en de Christelijke Democratische Unie tot de Partij van de Arbeid (PvdA, 1946). De PvdA was bedoeld als progressieve doorbraakpartij. Waarbij samenwerking met andere partijen in de Tweede Wereldoorlog tijdens het verzet mogelijk bleek.

Vanaf 1948 tot 1958 stuurde Willem Drees een aantal Rooms-Rode coalities (PvdA-KVP) aan waarbij de uitbreiding van het sociale stelsel centraal stond. Naast de PvdA ontstonden er ook nieuwe linkse partijen zoals de Pacifistische Socialistische Partij (1957) als reactie op de Koreaoorlogen en de Politieke Partij Radicalen, een groene en progressieve, aanvankelijk christelijk georiënteerde partij. In 1973 werkt de PvdA samen met D66 en de PPR in het kabinet Den Uyl (1973-1977) en werd gedoogd door de KVP en ARP (van Agt). Het kabinet viel door vele strubbelingen tussen de PvdA en ARP (huidige CDA). Waardoor de PvdA en het CDA moeilijke verhoudingen met elkaar hadden en de PvdA een lange tijd buiten de coalitievorming bleef. Na de val van het communisme fuseerde de PPR, PSP EVP (evangelische partij) en de CPN in Groenlinks (1991).

In 1994 ontstond de eerste links-rechtse coalitie tussen de VVD en de PvdA. Het paarse kabinet zette voor het eerst het CDA buitenspel onder leiding van Wim Kok. Daarnaast werd in 1994 de socialistische partij opgericht met een Maoïstische achtergrond uit de jaren ’70. In 2006 groeide de SP naar 25 zetels.

In het vrij rechtse kapitalistische Verenigde Staten wordt het woord socialisme gebruikt als scheldwoord. Binnen de Amerikaanse ‘ideologie’ vergroot het socialisme juist de problemen door marktverstoringen.

Daarnaast heeft de Verenigde Staten zich tijdens de koude oorlog altijd gekeerd tegen het communisme. Binnen de Amerikaanse cultuur is boven het maaiveld uitsteken juist een goede karaktereigenschap in plaats van gelijkheid voor iedereen. In Nederland heerst meer de Calvinistische cultuur van doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg.

Nationalisme

Nationalisme is o.a. een politieke stroming waarbij de staat gelijk moet zijn aan de sociaal-culturele eenheid van de natie. Nationaalsocialisme wordt ook wel gezien als racistisch imperialisme door het lebensraum vraagstuk (ruimte om te leven en drang nach osten). Het is de vraag of het behoort tot nationalisme door de voortdurende overwinningsdrang op andere staten. Wel wordt een politieke ideologie van de eenheid van de natie staat verheerlijkt (Duitsland als uberstaat en Duitsers als übermensch). Nationalisme kwam op in de 18de eeuw en werd sterk verbonden met het proces van modernisering. In Duitsland ontstond cultuurnationalisme en in Frankrijk en de Verenigde Staten ontstond staatsnationalisme (burgerschap binnen een staat) tijdens de Franse Revolutie.

In de midden en oost Europese landen kwam het etnisch nationalisme (natievorming vanuit een volk) op. Ook omdat er vele volkeren binnen grote staten woonden (Oostenrijk-Hongarije, Russische en Ottomaanse Rijk) en zich willen emanciperen uit het grote rijk en streefden naar eigen volksgerichte staten. Binnen het staatsnationalisme past de individu zich aan op de gewoontes en tradities van de staat. Bij het etnisch nationalisme probeert het volk binnen de staat zich juist te emanciperen. In de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw leidde nationalisme eerst nog tot traditievorming en nationalistische geschiedschrijving. De identiteit van de staat werd belangrijker dan de identiteiten van verschillende volkeren binnen de staat. In de Tweede Wereldoorlog leidde dat tot het vervolgen en verdrijven van minderheden, na de Tweede Oorlog leidde het tot verschillende conflicten binnen Rusland/Sovjet-Unie en de Balkan en enkele West Europese staten (Basken in Spanje).

Binnen de natiestaat werd er wel een mogelijkheid gecreëerd om tot een democratie te komen. Binnen de grenzen van de natiestaat kon men bepalen wie er wel en wie er niet binnen de staat behoort en daar stemrecht op heeft die verbonden zijn aan bepaalde wetten en regelgeving. Het Europese nationalisme vormt de basis voor de staatsvorming rond 1815 tijdens het congres van Wenen waarin veel staten soevereiniteit kregen. Nationalisme gaat uit van de eenheid van een bepaalde groep mensen op basis van taal, cultuur, geschiedenis en traditie. Een gemeenschappelijke religie, godsdienst of levensbeschouwing kan dit gevoel van gemeenschappelijkheid versterken. Maar kan ook leiden tot tegenstellingen tussen verschillende gemeenschappelijke opvattingen. De katholieken voelden zich jarenlang minderwaardige bewoners ten opzichte van de protestanten vanwege de geschiedenis van de 80-jarige oorlog.

Nationalisme kan zowel linkse als rechtse bewegingen hebben. Links op het gebied van een progressieve emancipatoire burgerbeweging en het streven naar burgerschap met nationale burgerrechten.

Rechts op het gebied van het verheerlijken van de eigen natie en zich afzetten tegen andere ideeën, andere volken en minderheden. In de Verenigde Staten gaat nationalisme vaak gepaard met patriottisme: het trots zijn op het land van herkomst of het land waar men woonachtig is. Het gaat om vaderlandsliefde, chauvinisme en nationalisme zoals het zingen van het volkslied (star spangled banner), het hijsen van de vlag en Amerika als belangrijkste en grootste staat zien van de wereld door veel Amerikanen.

In Nederland hebben we een aantal nationalistische partijen gehad zoals de Centrumpartij, Centrumdemocraten, CP86, Nederlands Blok, Trots op Nederland, LPF en de Nationale Alliantie. Momenteel is de Partij van de Vrijheid onder leiding van Geert Wilders een nationalistisch georiënteerde beweging/partij waarbij de focus ligt op het Nederlands belang en zich keert tegen immigratie, de islamitische ideologie in Nederland en Europa, open grenzen en de Europese Unie.

Confessionele bewegingen (partijen)

De eerste officiële Nederlandse partij was de Antirevolutionaire Partij opgericht door Abraham Kuyper in 1879. De antirevolutionaire benaming verwijst naar het verwerpen van de ideeën van de Franse Revolutie (liberalen en communisten). De ARP streed voor gelijkstelling voor het openbaar en bijzonder (christelijk) onderwijs. De achterban werd gevormd door de (neo)calvinistische ‘kleine’ luyden’.

Kuyper legde een duidelijke tegenstelling tussen de confessionelen (vooral gereformeerden) en de seculieren. Daarnaast breidde hij in 1917 het (algemeen) kiesrecht voor mannen (passief voor vrouwen) uit waardoor hij ook meer stemmen verkreeg.

De ARP was vooral sterk in de plattelandsgemeenten/provincies (Friesland, Overijssel, Gelderland, Zuid-Holland en Zeeland) en de bijbelbelt. In de visie van de ARP kwam het uiteindelijk gezag van God (via de koning). De ARP werd enigszins verscheurd door linkse Christen-democraten partij (1905) en rechtse christelijke bewegingen (Staatkundig Gereformeerde Partij, 1918). In de jaren ’40 splitste het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) zich af voor de vrijgemaakt-gereformeerden.

De protestanten richten in 1908 de Christelijk Historische Unie op (CHU) en de Katholieke Volkspartij (KVP) werd in 1945 opgericht in navolging van de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP, 1926) en de Algemene Bond van RK-kiesverenigingen op basis van het programma van Msg. Schaepman. Schaepman en Kuyper zetten zich beide af tegen het liberalisme. Het doel was om gezamenlijk de macht van de liberalen te doorbreken. De grootste aanhang van de KVP bevond zich in Brabant en Limburg vooral in de landelijke gebieden. Door de ontzuiling, secularisering en opkomst van nieuwe partijen in de jaren ’60 en ’70 slonk de aanhang van de confessionele partijen enorm. In 1980 fuseerden protestanten (CHU), de gereformeerden (ARP) en de Rooms-katholieken (KVP), wat uitmondde in het Christelijk Democratisch Appel.

Het CDA als duidelijke middenpartij regeerde na 1980 in alle opeenvolgende kabinetten (kabinetten-Van Agt en kabinetten-Lubbers, behalve de paarse kabinetten 1994-2002 (Wim Kok) en het kabinet Rutte-Asscher 2012. Het CDA maar ook de voorgaande confessionele partijen fungeerde altijd als stabiele regeringspartij in het midden waarbij of linkse of rechtse partijen konden aansluiten. Na de val van het tweede paarse kabinet regeerde het CDA met zowel het PvdA en de VVD onder Balkenende. In 2010 kende het CDA electoraal een historisch groot verlies aan zetels. Toch regeerde het CDA samen met de VVD onder gedoogsteun van de PVV in het kabinet-Rutte I. Het meest rechtse kabinet dat Nederland ooit gekend heeft. Dit kabinet viel al snel waardoor het CDA nog meer zetels verloor en in de oppositie terecht kwam. Vanaf 2012 regeert de VVD samen met de PvdA gesteund/gedoogd via diverse akkoorden door de SGP, CU en D66.

De kernwaarden van het CDA bestaan uit vier punten: gespreide verantwoordelijkheid (niet bij 1 instantie zoals de staat, maar de hele samenleving), de verantwoordelijkheid moet wel bij voorkeur op het laagste schaalniveau genomen worden. Gerechtigheid: iedereen in zijn waarde laten, goede daden worden beloond, slechte daden worden bestraft. Solidariteit: zorgen voor de kwetsbaren in de samenleving op basis van naastenliefde. Rentmeesterschap: een mens moet goed voor de aarde zorgen. Het leefbaar houden van de wereld voor de volgende generatie.

Liberalisme

Het liberalisme is een politiek-maatschappelijke stroming die is ontstaan vanuit de Verlichting van de 18de eeuw (John Locke) en met vrijheid, gelijkheid en broederschap tijdens de Franse Revolutie en vrijheid en vooruitgang (verlichting en industriële revolutie). Het liberalisme brak in de 19de eeuw in Europa en Amerika door omdat het zich afzette (emancipeerde van) tegen het heersende regime (de absolute macht van de koning, de kerk en de adel). Het liberalisme is een van de dominante stromingen met verschillende takken (klassiek-liberalisme, sociaalliberalisme wat iets meer links was, conservatief-liberalisme dat iets meer rechts was) die verschillen per land en cultuur.

Het liberalisme staat voor zoveel mogelijk vrijheid voor het individu, zoals burgerrechten die het individu moeten beschermen en de macht van de kerk en de staat beperken, maar ook tolerantie ten opzichte van elkaar.

Daarnaast streeft het liberalisme naar een vrije markt waarin de overheid zich terughoudend opstelt (nachtwakersstaat). De grondrechten van de burger zijn gewaarborgd in de grondwet (Thorbecke, vanaf 1848 in Nederland). De staat zou alleen invloed moeten hebben in openbare besturen, landsverdediging en openbare werken (infrastructuur). Door de industriële revolutie kreeg het liberalisme een materiële grondslag ter bevordering van de vooruitgang. Economische vrijheid stond centraal in tegenstelling tot economische gelijkheid, want dat was een marxistisch begrip dat juist van bovenaf afgedwongen moest worden door de staat (liberalisme is juist minder staat en vrijheid van onderaf door burgerschap).

In Nederland waren de liberalen verdeeld in twee stromingen. Aan de ene kant de Liberale Unie, de Partij van de Vrijheid en uiteindelijk de Volkspartij van Vrijheid en Democratie (VVD), aan de andere kant de progressief liberalen verenigd in de radicale bond, later voortgezet in de Vrijzinnig Democratische Bond. In de 19de eeuw waren de liberalen erg dominant, ook omdat veel vrijzinnige Rooms-Katholieken op de liberalen stemden (burgeremancipatie). De liberalen werden minder dominant na het samensmelten van enkele confessionele partijen (Anti-revolutionaire partij, Abraham Kuijper, 1879) en de partijvorming van de Rooms-katholieke stroming (Schaepman). Wel deelden de liberalen altijd mee in de macht in de kabinetten. Sinds 1959 heeft de VVD bijna altijd in het kabinet gezeten. In 1966 moest de VVD de liberale macht delen met D66 met een iets grotere nadruk op het progressief sociaalliberalisme.

Links liberalisme valt onder de noemer van emancipatie en het geven van gelijke kansen voor iedere individuele burger. Rechts liberalisme valt samen met de afkeer van de overheid, een bestendiging van de natuurlijke ongelijkheid van de mens en terugkeert naar het recht van de sterkste. Internationaal wordt liberal veelal als iets links gezien (VS en Groot-Brittannië, binnen het Angelsaksische model), terwijl in Nederland de VVD als rechts gezien wordt. In Nederland zet de VVD zich af tegen overheidsbemoeienis van de staat (tegen de PvdA en SP om de economisch zwakkeren te beschermen) waardoor de VVD als rechtse partij gezien wordt in Nederland. Kritiek op het liberalisme valt vaak samen met het sociaal-darwinistische karakter (het recht van de sterkste) van de stroming en het atomistische gehalte: de maatschappij bestaat slechts uit individuen.

Het klassiek economische liberalisme is gebaseerd op de opvattingen van Adam Smith (1723-1790) waarbij de staat zo min mogelijk invloed moet hebben (laissez faire) en de vrije markt de meeste welvaart oplevert voor de maatschappij als geheel (the wealth of nations). De onzichtbare hand zorgt voor harmonie en evenwicht. In zijn boek legt hij de basis voor het economisch liberalisme dat gemakkelijk ingang vond in Groot Brittannië en de Verenigde Staten (net onafhankelijk 1776) en klassiek liberalisme (privaat eigendom, individualisme en een kleine overheid).

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s