van prehistorie tot de industriële revolutie, geschiedenis van de economie en maatschappij

Prehistorie

Het begin van de mensheid (rondom 200.000-150.000 v. Chr.) begint bij de prehistorie in Oost-Afrika. De prehistorie is een tijdperk dat zich kenmerkt door de afwezigheid van geschreven bronnen en een samenlevingsvorm gebaseerd op jagers en verzamelen.

De mens (homo sapiens sapiens) leefde in kleine groepen als nomaden of binnen kleine nederzettingen. Binnen deze kleine nederzettingen ontstonden de eerste vormen van ruilhandel. Een economie op basis van wat men nodig had. Tin en vuursteen werden bijvoorbeeld verruild voor voedsel. Ook vond arbeidsspecialisatie plaats zoals metaalbewerking. De jachtsamenlevingen kenmerkt zich door lage bevolkingsdichtheid met een geringe omvang, geringe sociale differentiatie (grote homogeniteit), onafhankelijkheid van andere groepen (stammen), economische autarkie (zelfvoorzienend), een geringe arbeidsverdeling, laag niveau van productie en materieel bezit.

Protohistorie (neolithische tijdperk)

In de periode van de protohistorie (overgangsperiode van de prehistorie naar de oudheid) ontstaat de eerste landbouwrevolutie (11.000 v. Chr.) ook wel de neolithische revolutie genoemd, waarbij mensen hun bestaan opbouwen door het produceren van voedsel, de introductie van geld, handel en het geschreven woord. De handel, socialisatie (aanleren van normen en waarden), hiërarchie, administratie, bevolkingstoename, dichtheid, surplusproductie, arbeidsspecialisatie beheer, het recht op vermogen, privaat eigendom, toename van bezit en een meer geavanceerde economie kregen vorm in dit tijdperk.

Het neolithische tijdperk voltrok zich op verschillende plekken rondom de Middellandse zee en het Midden-Oosten (de vruchtbare sikkel) tijdens het einde van de laatste ijstijd. De ontwikkeling verliepen zeer geleidelijk en het tempo van ontwikkeling verschilde per locatie en tijdsperiode. De domesticatie en het ontstaan van de landbouw begon in dit gebied door de regelmatige regenval, de aanwezigheid van verschillende grassoorten (graan) en later irrigatie vanuit de Eufraat, Tigris in het Midden-Oosten en de Nijl in Egypte. Europa kende veel bos waardoor landbouwgronden in die periode minder voorradig waren. De eerste landbouwrevolutie(s) kenmerken zich door een toename in handel, markten, geld, stratificatie (toename in ongelijkheid tussen verschillende maatschappelijke groeperingen), staatsvorming, steden, schrift, grotere afhankelijkheidsrelaties tussen mensen en arbeidsspecialisatie t.o.v. jachtsamenlevingen.

Het oude Egyptische Rijk

Het oude Egyptische Rijk is langs de Nijl(vallei) ontstaan rond 3300 v. Chr. en ging onder in 332 v. Chr. door de verovering van Alexander de Grote. Het Egyptische Rijk ontwikkelde zich sneller door irrigatie technieken en de landbouw langs de Nijl. Dat was noodzakelijk door de verwoestijning in het omliggende gebied (8000 – 6000 v. Chr.). Hierdoor trokken vele volkeren naar de Nijl en kon het Egyptische Rijk uitgroeien tot een groot Rijk met geavanceerde technieken, wetgeving, architectuur (piramides), kunst, taal en schrift, een religie met eigen goden en een eigen ideologie.

De economie in het oude Egypte was sterk van bovenaf gereguleerd door de farao. De landbouw vormde de basis voor de economie en maakte een voorraadeconomie mogelijk. De Farao had al het grond in bezit. Later kwamen meer stukken grond in bezit van aanzienlijke families of verdienstelijke ambtenaren. Door de ontwikkeling van nieuwe technieken, ontwikkeling van het Rijk ontstonden ook nieuwe beroepen en werd arbeidsdeling en arbeidsspecialisatie mogelijk (bouw van piramides, irrigatiesystemen, infrastructuur etc.). Geld als ruilmiddel bleef nog lang uit en werd pas overgenomen uit de periode van de Grieken.

Mesopotamische Rijk

Mesopotamië (tweestromenland tussen de Tigris en Eufraat) is het gebied dat na 6000 v. Chr. sterk in bevolking groeit door handel, infrastructuur (irrigatie en wegen) nieuwe uitvindingen (het wiel) wetgeving, mathematiek en het spijkerschrift.

Het gebied kent verschillende opvolgende rijken waaronder het (oude) Babylonische Rijk met de hangende tuinen en Toren van Babel dat rond 900 v. Chr. veroverd werd door het Assyrische Rijk (wat later weer veroverd werd door de Nieuw babyloniers onder Nebukadnezar). Het kerngebied ligt om het huidige Irak, Syrië en Iran. Door plundering en veroveringen (539 v. Chr.) vanuit naburige volkeren zoals Perzië (onder Koning Cyrus en Darius) en de Meden (het huidige Iran en het Midden-Oosten) valt het Rijk uiteen, waarna uiteindelijk het gebied in handen van Alexander de Grote kwam (331 v. Chr.)

Macedonische Rijk (Alexander de Grote)

Alexander de Grote (Koning van Macedonië en opgeleid door Aristoteles) stichtte een groot rijk door de verovering op Anatolië (Turkije), Egypte (Alexandrië) en het Perzische Rijk rond 334 v. Chr.

Het Macedonische Rijk van Alexander de Grote strekte uit van de Adriatische zee tot de Indus. Zijn rijk werd later opgedeeld in kleinere staten door verschillende burgeroorlogen en muiterij binnen het Macedonische Rijk. Griekenland ontstond uit een van deze staten.

Griekse cultuur

De Griekse cultuur (Hellenistische beschaving met Pella als hoofdstad) ontstond uit dit Rijk (334-30 v. Chr.). De Griekse cultuur staat aan de basis van onze hedendaagse westerse beschaving dat nog ver doorliep tot in de late oudheid, Perzië (slag bij Marathon en Salamis) en het Byzantijnse Rijk (Oost Romeinse Rijk) met Constantinopel het hedendaagse Istanbul als hoofdstad.

Na de politieke overname van het Romeinse Rijk in 146 v. Chr. en de volledige verovering van Griekenland en Egypte in 30 v. Chr. bleef de Griekse (Hellenistische) cultuur dominant in het Oostelijke gedeelte van het Romeinse Rijk en het voormalige hellenistische Perzië.

Dat uit zich in de eerste tekenen van de westerse beschaving waarin democratie, rechtspraak, burgerschap, filosofie, kunst, literatuur, architectuur en wetenschap werden gevormd. Daarnaast waren internationale handel en verkeer, systematisering en realisme belangrijke kenmerken van het hellenisme. Bekende filosofen en wiskundigen zijn Pythagoras, Plato, Aristoteles, Socrates en Democritus.

Het Romeinse Rijk

Het begin van het Romeinse Rijk is gebaseerd op een sage over de bloederige broedertwist van Romulus en Remus (753-715 v. Chr). Uit de archeologische bevindingen blijkt dat het Romeinse Rijk vanaf 1000 v. Chr. een koningstijd kende waarin Rome zich ontwikkelde tot een stad onder Latijnse, Sabijnse en Etruskische invloeden.

Vanuit de mythen weten we dat Romulus zijn broer Remus vermoorde, koning werd en de sennex instelde (een groep wijze adviserende mannen). Dat was het begin van de Romeinse Senaat. Door de slechte ervaringen met de koningen werd de senaat het belangrijkste politieke orgaan binnen de Romeinse staat (500 v. Chr.). De staat veranderde van een koninkrijk in een republiek (res publica) onder leiding van magistraten en geadviseerd door de Senaat. Ook binnen het Romeinse Rijk werd er een tweedeling gemaakt tussen rijken (de patriciërs) en de armen (de plebejers).

Door een interne burgeroorlog en een strijd tussen bondgenoten, plebs en patriciërs, de strijd tussen generaals (legionairs) en de republiek verloor de republiek zijn macht en werd Rome een dictatuur (generaal Sulla, 82 v. Chr.). Sulla werd opgevolgd door Pompejus die Syria en Judea veroverde. Pompejus moest in 60 v. Chr. de macht delen met Gaius Julius Caesar. Julius Caesar werd uitgeroepen tot eeuwige dictator van het Romeinse Rijk maar werd vermoord door zijn adoptiezoon Brutus. Hierdoor werd het Rijk verdeeld over Marcus Antonius (Syrië en Egypte), Gaius Octavianus (Hispanje Gallië en Rome) en Marcus Lepidus (Africa). In 31 v. Chr. versloeg Octavianus Marcus Antonius bij de slag van Actium, werd alleenheerser van het Romeinse Rijk en kreeg de titel Augustus (verhevene). In 27 v. Chr. werd Augustus (Octavianus) de eerste keizer van het Romeinse Rijk.

Het Romeinse Rijk bereikte zijn grootste omvang om de Middellandse Zee met Keizer Trajanus (98 tot 114 n. Chr.). Keizer Constantijn kwam na een zeer onrustige periode in 324 n. Chr. aan de macht. Hij bekeerde zich tot het Christendom en richtte een nieuwe hoofdstad op dat hij Nova Roma noemde en later Constantinopel heette, het huidige Istanbul. Het Christendom werd de officiële staatsgodsdienst binnen het Romeinse Rijk.

Het uit zijn kluiten gegroeide Romeinse Rijk (ca. 753 v Chr. tot 476 n. Chr.) viel in twee stukken uitelkaar door de Grote volksverhuizing (476 n. Chr.) en de interne instabiliteit binnen het Romeinse Rijk. Aan de ene kant het westerse deel met Rome als hoofdstad en de Katholieke religie, aan de andere kant het oostelijke deel met Constantinopel als hoofdstad en de Oost orthodoxe kerk als religie. Beide delen verloren veel macht door zwak en incompetent bestuur. Het westen verloor de macht door onder andere de plunderingen van de Vandalen (Oost-Germanen) en de veroveringen van de Germanen in 476 n. Chr. binnen het Romeinse rijk.

Het begin van het Romeinse periode (Koninkrijk) werd gekenmerkt door een overwegend agrarische economie. Handel werd gedreven via de rivier Tiber. Tijdens de vorming van de republiek ontstond er meer handel door import uit Sicilië, Griekenland en Spanje. De industrie specialiseerde zich steeds meer en er trad en grote mate van arbeidsverdeling en arbeidsspecialisatie op. Kleine bedrijfjes waar Romeinen alles zelf moesten doen maakten plaats voor grotere concerns. Rome werd het economische centrum van de oude wereld.

In het Keizerrijk bloeide de economie helemaal op. De Romeinen haalden meer producten uit de veroverde provincies en kolonies. In de bloeiperiode konden de Romeinen beschikken over verschillende monopolies op grondstoffen en luxe materialen. Door politieke chaos en decadentie stortte het rijk en de economie weer in. Veel migranten uit het platteland werden werkloos in Rome. Om revoluties tegen te gaan moesten werklozen aan het werk gehouden worden wat betaald werd uit de staatskas. Keizer Augustus kon het tij nog wel keren door de werkloze massa te laten werken op het platteland en door het heffen van efficiëntere belastingen. Ook verbeterde Augustus vrij verkeer van mensen en goederen, de infrastructuur (aquaducten, wegen, de verbindingen tussen de Middellandse Zee en de provincies) en voerde een eenheidsmunt (de sestertie in). Uiteindelijk viel het Romeinse Rijk toch weer uit elkaar door incompetent bestuur, decadentie van de elite (brood en spelen) en onderlinge twisten. Het Rijk brak uit elkaar in twee stukken. Bovendien verloor het Romeinse Rijk het meest rijke Afrikaanse gedeelte aan de Vandalen, waardoor het Romeinse Rijk het leger niet meer kon betalen. Het (west) Romeinse rijk kon voorgoed geen bescherming meer bieden en de soldaten betalen uit de rijke voormalige wingewesten. Voor veiligheid kon men beter bij de Goten, Vandalen en Franken zijn. Het bieden van veiligheid stond altijd aan de basis van economische groei.

Nu het Romeinse Rijk geen veiligheid meer kon bieden voor vrijhandel en veilige goedkope handelsroutes stortte de economie ook in. De prijzen liepen op, de kwaliteit daalde, de landbouwproductie liep terug en men verviel in een primitieve ruileconomie. In plaats van stenen dakpannen bouwde men weer strooien hutten. Tussen 500 en 1000 leefde men weer meer in lokale nederzettingen, behoorde lezen en schrijven toe aan de elite (adel en geestelijken) droogde de massaproductie op en leidde enkele misoogsten tot hongersnood en ziekten. Na de val van Rome (476 n. Chr.) was men in de middeleeuwen meer aangewezen op hechte familiebanden ipv. rechtspraak gebaseerd op de handelingsbekwaamheid van het individu.

Byzantijnse Rijk

Het oostelijke deel veranderende in een Grieks Rijk (Byzantijnse Rijk) en behield zijn macht tot 1453. Het Byzantijnse Rijk groeide verder uit en kenmerkt zich in sterke mate door de vele veldslagen (kruistochten) in Perzië en Anatolië tegen de Arabieren, maar versterkte ook de handelsrelaties waaronder de Zijde route tussen Europa en Azië. De gebiedsuitbreidingen en de nieuwe grenzen waren niet houdbaar, waardoor het Byzantijnse Rijk in 636 n. Chr. grote delen aan de Arabieren moesten afstaan.

In 1071 vroeg de Byzantijnse keizer de hulp in van westerse christenen om te vechten tegen de Turken in Anatolië en Syrië. Het Byzantijnse Rijk kwam in verval door de vele kruistochten die de verbinding tussen Azië en Europa belemmerde. Door de terugvallende handel en de afnemende economische activiteiten kon het Byzantijnse Rijk niet meer de huurlingen betalen om Anatolië te verdedigen, waardoor het Rijk verder uit elkaar viel.

De elite vertrok vanuit Constantinopel naar de westerse steden die aan het eind van de middeleeuwen opleven, met de wedergeboorte (renaissance) van de westerse cultuur in de Noord Italiaanse steden (Florence, Milaan en Genua). Constantinopel viel in handen van het Ottomaanse Rijk in 1453 wat nu het huidige Turkije is.

Middeleeuwen (west Europese deel)

Na de splitsing en het ineenstorten van het Romeinse Rijk was de economie in de middeleeuwen (ca. 500 tot ca. 1500) vooral gebaseerd op ruilhandel en muntgeld binnen een feodaal systeem en een dominante rol van de kerk binnen de samenleving.

Het Noordwestelijke Europese deel was verdeeld in 1) Franken (onder leiding van Karel Martel, Karolingen) en de assimilatie met Gallo-Romaanse talen, wat nu het huidige Frankrijk is, 2) Saksen, Goten, Vandalen en Friezen (Duitsland, Nederland), 3) Noormannen (Scandinavië), 4) Angelen en Kelten (huidige Groot-Brittannië).

 Verdeling van het Frankische Rijk bij het Verdrag van Verdun (843):██ Karel de Kale (West-Francië)██ Lotharius I (Midden-Francië)██ Lodewijk de Duitser (Oost-Francië)

Karel de Grote erfde uiteindelijk het grootste deel van het Frankische Rijk dat inmiddels het grootste gedeelte van West Europa besloeg. Na de dood viel het grote Rijk uiteen in verschillende kleine feodale staatjes. Tijdens het verdrag van Verdun (843) werd het Rijk opgedeeld in drie delen en daarna verder opgedeeld.

De grond was in handen van de aristocratie en de landarbeiders (horigen) leveren arbeid voor de leenheer in ruil voor voedsel van het land en onderdak.

Na de inval van de Moren in Spanje (Andalusia, 711-1492) en de invasie van de Noormannen (10e eeuw) keerde een relatief stabiele periode aan waarbij het Westen hulp bood aan het Byzantijnse leger tegen de invallen van de Turken, uitbreiding van invloed in het oosten, hulp aan christelijke pelgrimages in Jeruzalem en het voorkomen van gebiedsuitbreiding van de islamieten.

Dit leidde tot de kruistochten (1096-1271) in Palestina om de heilige plaats Jeruzalem te bevrijden. De ontwikkeling van de dogmatiek (beschrijving hoe je moest geloven) en de bestrijding van ketterij speelde een grote rol in de middeleeuwen.

Religie, handel en macht zijn zeer bepalend geweest voor het Europese verloop van de geschiedenis en het veroveren van de overige delen van de ‘nieuwe’ wereld (Afrika en Amerika). Met name de strijd tussen de Katholieken en de islam op land als op zee (zijderoutes) bepaalt nu nog grotendeels onze mondiale kaart, taal, religie, politiek en handel. Technologie, religie en handel hebben daarbij een grote rol gespeeld. Door de afsluiting van de handelsroutes naar India (door het Ottomaanse Rijk) moesten de Portugezen en Spanjaarden op zoek naar alternatieve routes en stuitte daarbij op het Amerikaanse werelddeel. De Spaanse en Portugese feodale katholieke feodale stelsels (koningen en pauzen) werden later ingehaald door meer protestantse (Lutherse) systemen waarin de absolute macht van de vorst afnam (o.m. door de uitvinding van de drukpers) en er meer ruimte kwam voor ‘parlementaire republieken of monetaire democratieën.’. De industriële revolutie droeg bij aan deze machtsverschuiving. Spanje en Portugal verloor de dominante macht op zee aan de Lage Landen en later aan het Verenigd Koninkrijk (Royal Navy). Frankrijk, Duitsland en Rusland wonnen aan kracht op het land.

Tijdens de renaissance verdween het feodale systeem deels (afhankelijk van de periode 14e, 15e en 16e eeuw) en kreeg de bourgeoisie meer macht en grond (productiefactoren) in handen.

Renaissance (wedergeboorte) vanaf de 14e eeuw

De renaissance verwijst naar de verworvenheden van de klassieke oudheid die ontstond in Italië (oude Rome). De renaissance is een laat middeleeuwse culturele beweging herontdekt door Italiaanse humanisten gericht op architectuur, kunst en literatuur geïnspireerd op de verworvenheden uit de klassieke oudheid.

De renaissance is een duidelijke breuk met de donkere middeleeuwen waarbij de nadruk ligt op de ontdekking van nieuwe continenten, moderne uitvindingen (drukpers, Copernicaanse stelsel in de astronomie, papier, buskruit en het kompas) en het einde van het feodale systeem.

Het wordt ook wel de nieuwe wereld genoemd. De renaissance is het begin van het einde van de middeleeuwen waarbij er meer ruimte is voor individualisme, realisme, rationalisme, secularisatie, waarbij de intellectuele elite zich onttrok van de dominante christelijke stromingen (Katholicisme, protestantisme en de orthodox oosterse kerk) en de absolute macht van de koning of keizer. De renaissance ontstond o.a. in Italië omdat de macht van de keizer veel kleiner werd en de macht van edelen, kooplieden en de stedelijke burgerij groter werd (ontstaan van standen of Statenvergaderingen). Florence werd daardoor de eerste en belangrijkste stad van de Renaissance, later verplaatste het culturele leven zich naar Venetië en Rome. Tot 1450 beperkte de renaissance zich tot Italië.

Ondanks de groei van de steden verkeerde Europa in een economische depressie, met de uitbraak van epidemieën, oorlogen en hoge graanprijzen. Wel verbeterde de handel rondom de Oostzee met de oprichting van Hanzesteden en de verzwakking van de Vikingen. In de 17e eeuw breidde de renaissance zich uit in heel West Europa wat o.a. leidde tot de Gouden Eeuw in Nederland (soevereiniteit Statenvergaderingen Noordelijke Nederlanden en de afscheiding van de absolute vorst van Spanje, Filips II).

De renaissance kende aan de ene kant de humanisten die meer seculier georiënteerd waren, gericht op de rede, vrijheid, het nastreven van geluk en tolerantie en aan de andere kant de reformatie waarbij andersdenkende christenen kritisch waren ten opzichte van de katholieke leer (Luther, protestanten, hervormden). Na de val van het Byzantijnse Rijk trokken de geleerden naar Italië die de cultuur uit de Griekse oudheid meenamen.

Einde middeleeuwen, tijdperk van de dynastieke staten

Het eind van de middeleeuwen wordt ook wel gekenmerkt door de permanente onbesliste strijd tussen Duitsland, Nederland, België, Spanje, Oostenrijk (Keizer Karel V) en Frankrijk (Koning Frans I). Ook wel bekend als de Italiaanse oorlogen (1494-1559) met Italië als inzet in de strijd tussen Frans I en Karel V.

Karel V (Keizer Karel) droeg bij aan de staatsvorming van de vele Europese landen zoals wij die nu kennen. Landen werden los gemaakt van de Duitse en Franse rijksverbanden. In 1543 werden 17 provincies (Nederlandse en Belgische) samengevoegd tot de Habsburgse Nederlanden. Ook voerde Karel V de gulden (gouden carolus, 1521) in om de handel te stimuleren. Karel V voerde daarnaast centrale bestuursorganen in. Nederland werd vanuit Brussel bestuurd. In 1548 kwam het Habsburgse Nederland bijna ‘volledig onafhankelijk’ van Karel V onder het bewind van Maria van Hongarije (zus van Karel V). In 1555 deed Karel V afstand van de Troon en volgde zijn zoon Filips II hem op. Karel V droeg de Spaanse Koninkrijken over aan Filips II.

 De Nederlandse opstand en de 80-jarige oorlog en de reformatie

Filips II voerde veel godsdienst twisten waaronder de Nederlandse opstand (tegen het protestantisme) en de strijd tegen de Ottomanen. De Nederlandse opstand ontstond door de te hoge belastingdruk op de edelen en de strijd tegen het groeiende protestantisme in Nederland (calvinisme, hagenpreken en de beeldenstorm).

King PhilipII of Spain.jpg

Filips II stuurde Hertog van Alva naar Nederland om de ongeregeldheden met harde hand op te lossen. De militaire en godsdienstige repressie en de zware belastingen leidde in 1568 (Nederlandse Opstand) uiteindelijk de 80-jarige oorlog in. Willem van Oranje leidde de opstand van de protestanten maar werd in 1584 door Balthasar Gerards vermoord.

In 1585 scheidde de Protestantse Noordelijke Nederlanden van de Katholieke Zuidelijke Nederlanden (De val van Antwerpen) en werd Nederland onafhankelijk van Engeland en de buitenlandse vorsten en kwam de macht in handen van de Staten-Generaal. In 1588 trok de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden gezamenlijk op onder een calvinistische eenheid.

Johan van Oldenbarnevelt volgde Willem van Oranje politiek op (in de Staten-Generaal), Prins Maurits (tweede zoon van Willem van Oranje) werd de militaire leider van de opstand. Door versnippering van het Spaanse bewind, samenwerking met Hugenoten en het drievoudig verbond (met Engeland en Frankrijk in 1596) kon de Spaanse macht verdreven worden uit de Nederlanden.

In 1602 richtte Van Oldenbarnevelt de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (de eerste naamloze vennootschap met vrij verhandelbare aandelen en multinational) op, waardoor de Republiek kon uitgroeien tot een (economische) wereldmacht. Door de afscheiding van Spanje en de absolute macht van Filips II ontstond een basis voor een enigszins pluralistisch staatsbestel waar veel later een parlementaire democratie uit kon groeien. Wel kende de Nederlanden veel onderlinge strijd tussen de politieke (Oldenbarnevelt) en militaire macht (Maurits).

In 1600 bij de slag bij Nieuwpoort traden de eerste scheuren op in de relatie tussen Van Oldenbarnevelt en Maurits. In 1609 nam de kloof toe door de onenigheid over de wapenstilstand met Spanje (Twaalfjarige Bestand 1609-1621). Van Oldenbarnevelt was voor de wapenstilstand door de hoge kosten van de oorlogen met Spanje en Maurits was tegen omdat het Spaanse leger dusdanig verzwakt was en een overwinning nabij was. De breuk escaleerde definitief door het verschil in geloofskwestie. Van Oldenbarnevelt vond dat er ruimte was voor verschillende geloofsopvattingen en Maurits stond de Calvinistische eenheidsleer voor, waardoor er ook een politiek-religieus conflict ontstond. Van Oldenbarnevelt ondermijnde het militaire gezag van Maurits verder met de oprichting van stedelijke milities (zelfstandige huurtroepen). Maurits liet daarop Van Oldenbarnevelt arresteren op hoogverraad en uiteindelijk onthoofden op het binnenhof, ook wel gezien als een Staatsgreep omdat Van Oldenbarnevelt het politieke gezag had.

De Gouden eeuw (17e eeuw) en de Franse overheersing (18e eeuw)

De Gouden eeuw gaat gepaard met de bloeiperiode op het gebied van wereldhandel (zeevaart en wereld koloniën), wetenschap, kunst en de oprichting van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in de 17e eeuw waarin Amsterdam een belangrijke rol ging spelen. De politieke en militaire macht nam een vooraanstaande positie in op het wereldtoneel met onder andere de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (1602) gericht op handel (specerijen) en de West-Indische Compagnie (1629) gericht op militaire dominantie en slavenhandel.

De samenleving werd minder gekenmerkt door het feodale stelsel, er kwam een meer vrijere arbeidsmarkt en burgers kregen toegang tot leningen en aandelen, waardoor het makkelijker werd om te investeren in bedrijven waardoor ook de eerste financiële markten ontstonden.

In 1648 eindigde de 80-jarige oorlog (tegen Spanje) en de 30-jarige oorlog (Europese machtsconflicten) met de Vrede van Munster en trok de economie verder aan door de nijverheid. Door een open en tolerante houding konden ideeën en uitvindingen makkelijker ontwikkeld worden en kreeg Nederland een voorsprong op bijna elk gebied. Amsterdam groeide uit tot stapelmarkt waar alle informatie, goederen, mensen en diensten op een relatief kleine plek binnen kwamen.

In het rampjaar 1672; het begin van de Hollandse oorlog (Republiek in oorlog met Engeland, Frankrijk en de Bisdommen Keulen en Munster) was de economische groei over haar eindpunt heen en wordt dat jaar gezien als het einde van de Gouden Eeuw waarop een periode van consolidatie volgde. De Republiek bleef over met een enorme staatsschuld, het failliet van de West-Indische Compagnie (1674) en een land in verval door de overwinning van Lodewijk XIV (Zonnekoning) op de Republiek der Zeven Nederlanden.

Lodewijk XIV pleitte voor een absolute goddelijke macht voor de Koning en leefde als een zonnekoning op Versailles tot (1715). In 1672 (na de val van Johan de Witt, belangrijkste politicus op dat moment) kwam Willem III aan de macht als stadhouder van Holland, Utrecht en Zeeland en voerde als protestant zijn gehele periode een anti-Franse politiek. Stadhouder Willem III regeerde vanaf 1689 over Engeland, Ierland en Schotland. Via Willem III kwam de Bank of England tot stand wat hem verzekerde van steun van den Engelse bankiers.

Na de opvolging van de zonnekoning door Lodewijk XV (1715-1774) en Lodewijk XVI (1774-1792) verviel het Franse Rijk. De vele oorlogen, het uitbundige leven en de hoge belastingen brachten het koningshuis in diskrediet. Dat leidde in 1789 ook tot de Franse Revolutie en het einde van het Franse koningshuis.

Verlichting (1630-1789)

In de 17e en de 18e eeuw kwamen nieuwe ideeën tot uiting op basis van rationaliteit en kennis in de periode van de Verlichting. De verlichting gaf aanleiding tot modernisering van de samenleving en gaf zelfvertrouwen en optimisme.

Het vooruitgangsgeloof uitte zich in het geloof van de maakbare samenleving gebaseerd op rationeel handelen en de rede. Deze rede zorgde voor nieuwe ontwikkelingen, streed tegen bijgeloof, intolerantie en de invloed van de kerk en kwam op voor zekere grondrechten voor burgers. De verlichting staat aan het begin van de westerse waarden zoals we die nu kennen als individualisering, globalisering, secularisering, emancipatie en wetenschap (rede en empirisme). Het gelijkheidsbeginsel, mensenrechten, burgerrechten vinden hier hun wortelen en zijn aangevuld door het vrijdenken met de stromingen als het klassiek-liberalisme, socialisme en het anarchisme.

De verlichting kent zowel een kritische kant (tegen het geloof en onredelijkheid) als een constructieve kant (wetenschap, rechtvaardigheid en democratie). De verlichting richtte zich eerst op kennis, waarheid en geluk, daarna volgden de grondslagen van de verlichting voor de economie, sociologie, pedagogie, antropologie, land- en volkenkunde. Spinoza, Kant en Descartes waren drie belangrijke filosofen van de verlichting waarbij de rede centraal stond.

Newton (natuurwetten in het heelal) was een van de belangrijkste natuurwetenschappers van deze tijd. De verlichting stond aan het begin van de scheiding tussen kerk en staat en het begin van de democratie. De ethiek werd gebaseerd op de rationele universele moraal en niet meer op het goddelijke absolutisme. De scheiding der machten (trias politica: wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht) garandeert de vrijheid en gelijkheid van de burger (Montesques).

Wel zwakte de verlichting na verloop van tijd wat af van een atheïstische stroming (Spinoza, deskartes) naar een deïstische stroming (een meer teruggetrokken God). Wel legt de verlichting de basis voor de Franse Revolutie (afkeer van de absolute macht van Koning Lodewijk XIV, XV en XVI).

Franse Revolutie

Tijdens de Franse revolutie (1789, bestorming van de Bastille, Parijs) in de 18e eeuw veranderde het feodale (aristocratische) systeem in een meer democratisch systeem waarin de macht van de monarchie, adellijken en geestelijken in handen kwam van de Republiek en de Staten-Generaal in Frankrijk. Absolutisme en aristocratie (afschaffing Koningshuis in Frankrijk) maakte plaats voor gelijkheid, vrijheid en broederschap.

In 1799 kwam Napoleon Bonaparte aan de macht in Frankrijk die een groot deel van Europa onder Frans (keizerlijk) gezag kreeg door de Napoleontische oorlogen (Verenigd Koninkrijk, Levant, Egypte, Turkije, Italië, Rusland, Oostenrijk en Pruisen) Napoleon voerde veel nieuwe wetten integraal in om de eenheid te bevorderen zoals eenheidsmaten, geboorteregisters, de burgerlijke stand, achternamen en de afschaffing van privileges voor adellijken en geestelijken. Het was de laatste keer dat Frankrijk een echte grootmacht was op het Europese Schiereiland. Napoleon beet zich stuk op Rusland en een al te grote expansiedrift met de wil het continentale stelsel in te voeren. Bovendien verloor Napoleon de economische oorlog op basis van protectionisme van de Britten die een meer vrijhandelsbeleid voerden. Door de opkomst van de industriële revolutie konden de Britten bovendien een zeer sterke vloot opbouwen (Admiraal Nelson, slag bij Trafalquare). De Britse vloot beperkte de Franse handel met andere landen. De dominante rol van Frankrijk (cultuur, taal, literatuur) kwam steeds meer bij de Britten en later de Duitsers (Pruisen) te liggen. Zij profiteerden meer van de industriële revolutie, de modernisering en de aanwezigheid van steenkool als nieuwe brandstof voor de modernistische economie. Nederland en België vormde een buffer tussen de Britten en Fransen. We zien niet alleen een overgang van absolute dynastieën naar republieken of constitutionele monarchen, maar ook een economische overgang naar de industriële revolutie met nieuwe technologieën en brandstoffen. Het is ook een verdere uitrol van een zeer fossiel kapitalistisch systeem gecombineerd met het financiële bankensysteem zoals we dat nu wereldwijd bijna overal kennen.

In 1815 werd Napoleon definitief verslagen bij de slag bij Waterloo door de Britten en Pruisen, waardoor Europa tijdens het Congres van Wenen opnieuw ingedeeld moest worden in nationale staten door de overwinnende mogendheden. Ook werd het Koninkrijk der Nederlanden gesticht in 1815 dat in 1830 uit elkaar viel waardoor België (voormalige Zuidelijke Nederlanden) ontstond als nieuwe staat. De grote dynastieën onder absolute vorsten werden nu grotendeels vervangen door nationale staten met een min of meer dualistische politieke structuur (controle politiek en ambtenaren op de koning). Waarbij een verschuiving van de adellijke en vorstelijke macht optrad naar de staatsbureaucratie (politiek en ambtenarij). Deze ontwikkeling ging ook gepaard met de uitrol van het elektriciteitsnet, nieuw rioleringssysteem, spoorwegen, ontpoldering, kanalen, wegen etc. Naast een toenemende centralisering en bureaucratisering trad er ook een vorm van democratisering op. Gekozen parlementen kregen meer wetgevende en controlerende bevoegdheden ten opzichte van de uitvoerende overheidsmacht. De ontwikkeling van het Koninkrijk der Nederlanden laat dit proces van democratisering goed zien.

Koninkrijk der Nederlanden

In 1815 riep Willem I (is ook stadhouder Willem VI) zich uit als Koning der Verenigde Nederlanden en werd zijn status erkend door de Europese mogendheden (Nederland vormde een bufferstaat tegen het machtige Frankrijk). In 1840 deed Willem I afstand van de troon en werd opgevolgd door Koning Willem II.

Koning Willem I was een progressieve ondernemer die fors investeerde in de Nederlandse industrie. Zo investeerde Willem I in het graven van kanalen, bouwen van wegen en spoorlijnen, ontpoldering, Rijksmunt, oprichting Nederlandse Handelsmaatschappij en De Nederlandse Bank.

Willem I nam bijna alle besluiten hierover zelf. Willem I kenmerkt zich als eerste kapitalistische heerser in Europa met ideeën vanuit de industriële revolutie uit Engeland. Het doel was om van Nederland weer een welvarend land te maken. Voor zijn komst leefde Nederland in volledige armoede met een enorme Staatsschuld en erfde Nederland (Bataafse Republiek 1795-1801) de ellende van de Franse Revolutie.

Willem I wilde van Nederland ook een duidelijke eenheidsstaat maken met de officiële Nederlandse taal ook in Vlaanderen en 1 godsdienst. Willem I kon rekenen op verzet (1830, afscheiding België) vanuit Vlaanderen dat een duidelijk Rooms katholieke Franse cultuur had. In 1839 erkende Willem I de Belgische Staat en trad af in 1840 omdat hij steeds meer macht uit handen moest geven aan zijn ministers.

In 1848 ontstonden er in veel landen opstanden met als doel een meer liberaal politiek systeem te krijgen in plaats van de absolute macht van de koning. Voorheen vanaf 1815 lag de uitvoerende macht bij de soevereine vorst, die werd bijgestaan door zijn ministers die uitsluitend aan de koning verantwoording schuldig waren. De wetgevende macht kwam ten dele toe aan de Staten-Generaal die uit de eerste kamer (gekozen door de koning) en tweede kamer (gekozen door de Provinciale Staten) bestond.

Thorbecke (voorzitter Ministerraad en grondwetscommissie) voerde in Nederland de eerste aanzienlijke juridische grondwetswijziging in. Nederland kreeg een constitutionele monarchie waarbij ministers verantwoordelijk (ministeriële verantwoording) waren en niet de Koning (Willem II, 1840-1849). Er vond een duidelijke centralisering, bureaucratisering en de democratisering plaats die de natievorming in Nederland in hoge mate heeft bepaald. De Tweede Kamer en de Provinciale Staten werden vervolgens rechtstreeks verkozen volgens het censuskiesrecht (betaling belastingen om te mogen stemmen).

De bevoegdheden van het parlement werden tevens uitgebreid met de invoering van het recht van amendement, interpellatie en enquête (Moore). De democratisering breidde zich uit in de periode van 1848 tot 1917. In 1917 werd het algemeen kiesrecht ingevoerd, in 1919 werd het algemeen kiesrecht uitgebreid voor vrouwen.

Geleidelijk werd het soevereine systeem van de absolute vorst vervangen door een meer verzuilde samenleving van katholieke, protestanten, liberalen en socialisten dat zijn oorzaak vond in scherpere klassentegenstellingen (de sociale kwestie van de industrialisatie), de tegenstellingen tussen de confessionele en niet confessionele groepen (schoolstrijd, gelijkstellen van openbaar onderwijs) en de uitbreiding van het algemeen kiesrecht.

Koning Willem II (1840-1849) was meer een veldheer in plaats van absolute Koning (held slag bij Waterloo) en liet veel meer ruimte over voor de bevolking en liberale gedachten. Koning Willem III (1849-1890) had wel veel moeite met de beperking van de koninklijke macht en had een grillig karakter (Koning Gorilla). Na de dood van Willem III trad Emma (echtgenote Willem III) in de periode 1890-1898 aan als Regentes. Wilhelmina nam op 18-jarige leeftijd de troon over in 1898 en regeerde tot 1962.

koning_met_koningsmantel

Ook Wilhelmina had weinig op met de politici van haar periode. Wel werd Wilhelmina gerespecteerd door haar zakelijk inzicht en groeide het Koninklijke vermogen tot 2 miljard door aandelen in Koninklijke Olie. Wilhelmina stuurde aan op een neutraal Nederland in de Eerste Wereldoorlog en sprak Nederland toe vanuit Engeland via Radio Oranje in de Tweede Wereldoorlog. In 1948 volgde Juliana Koningin Wilhelmina op (1948-1980). Juliana verkleinde met haar losse stijl vooral de afstand tussen het koningshuis en het volk. Juliana was meer geïnteresseerd in maatschappelijke vraagstukken dan in financieel-economische issues en defensiekwesties. In 1980 volgde Koningin Beatrix haar op. De regeerstijl van Beatrix was meer zakelijker en koninklijker. Wel kwam er ruimte voor een persoonlijke boodschap tijdens de kersttoespraken. In 2013 trad Koningin Beatrix af en volgde Koning Willem-Alexander haar op.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s